Het Poolse monument in Axel. foto Wim Kooyman
Hoe laat of hoe vroeg het de ochtend van woensdag 20 september 1944 precies was, staat ons niet meer bij.
Als jonge gast van elf jaar speelde tijd nog niet zo'n rol. Wat ons nog wel bij staat is het weer: nevelig, eerder mistig eigenlijk, maar wel een mist die mooi weer beloofde. Over naar school gaan werd, zover we ons herinneren, niet gepraat.Daags tevoren waren er nog verschillende groepjes Duitsers langs gekomen op weg naar de Westerschelde, met name naar Terneuzen. Een groep bestond uit Aziatisch uitziende mannen, slonzig, onder het stof, dood- en doodvermoeid, mager als honden en snakkend naar een kan drinkwater. 's Morgens werd er de kant van het Vogelfort bij Hengstdijk op nog geschoten en er stonden wel twee of drie schuren in brand. Ineens doken twee Duitse militairen met een Rode Kruisband om de arm op uit de nevel. Onberispelijk in uniform, weldoorvoed en in het bezit van een wit brood en minstens een pond goede boerenboter. In alle rust zetten ze zich in de 'bakkêêt' aan tafel, besmeerden de sneden brood zeer dik met boter, kamden hun haar nog eens en trokken verder, ook de kant van Terneuzen op.
En dan ineens was die zandkleurige tank daar. Ze kwam de 'april' (oprit) af en stelde zich op voor het damhek, de loop van het kanon in de richting van Kloosterzande. De 'Ingelsen' waren er! Ingelsen, dat waren de enige mogelijke bevrijders die we kenden. Het woord geallieerden was op Campen vast en zeker niet bekend. Maar het waren geen Engelsen, op hun mouw stond Polska, het waren Polen.
Hoe we er achter kwamen dat ze gek waren op tomaten en komkommers is niet meer duidelijk, maar we deden ze er een groot plezier mee. De tomaten hapten ze weg zoals wij appels. Daar stonden we van te kijken. Komkommers ontdeden ze van de schil en de rest aten ze rauw op. Na de verkenners kwam de eigenlijke strijdmacht. Eén groep moest over Boschkapelle (Vogelwaarde-West) naar Campen en dan naar Kloosterzande en Walsoorden. Een andere over Zaamslag en Reuzenhoek naar Campen. Na de cavalerie volgden de infanterie en de artillerie. De twee Rode Kruismannen van 's morgens kwamen in de loop van de middag weer langs, nu boven op een tank. Ze leken er niet onder te lijden dat ze de oorlog verloren hadden. De Ingelsen bleken Polen te zijn! Polen was toch onder de voet gelopen door Duitsland en de Sovjet-Unie? Op 1 september 1939 vielen de Duitsers over een breed front hun buurland binnen. Het Poolse leger beschikte wel over cavalerie van de oude stempel, paardenvolk, nauwelijks over het moderne strijdmiddel tanks en pantserwagens. Op 17 september viel Rusland de Polen in de rug aan en op 1 oktober moest het land capituleren.
Een deel van de militairen werd krijgsgevangen genomen, anderen gingen in het ondergrondse verzet en een aantal van hen kon uitwijken naar het buitenland. Tot die laatste groep behoorde een flink deel van de Tiende Gemotoriseerde Cavaleriebrigade, de zogenaamde Zwarte Brigade, onder kolonel Stanislaw Maczek. Veel militairen vluchtten naar Roemenië, waar ook de Poolse regering heen gegaan was, of naar Hongarije. De soldaten werden ontwapend, opgesloten in kampen en hun bewegingsvrijheid was beperkt. Dat werd gemakkelijker nadat ze over burgerkleren konden beschikken. Toen ze vernamen dat de minister-president van Polen, generaal Sikorski in Frankrijk was en daar een nieuw Pools leger opbouwde, konden velen een uitreisvisum krijgen.
Via de Balkan en Italië kwam het merendeel begin januari 1940 in Frankrijk aan. Anderen wisten via Hongarije of zelfs via Zweden Frankrijk te bereiken en duizenden meldden zich aan voor het nieuwe leger, alsook veel al voordien naar Frankrijk geëmigreerde Polen. Al spoedig beschikte Sikorski over twee infanteriedivisies, een infanteriedivisie in opbouw en de Tiende Pantserbrigade onder (inmiddels) generaal Maczek. Zijn brigade nam in mei en juni in Frankrijk deel aan de strijd tegen de Duitsers onder meer bij de Somme. Al vechtend trok zij zich terug tot bij Dyon waar ze ingesloten dreigde te raken. Door alle zwaar materieel achter te laten konden ze in kleine groepjes ontsnappen naar Spanje en Noord-Afrika om daar ingescheept te worden voor Groot-Brittannië.
De verzamelplaats voor alle ontsnapte militairen werd Schotland waarbij zich emigranten uit Noord- en Zuid-Amerika voegden. Ook de Poolse marine en de luchtmacht waren grotendeels uit de handen van de Duitsers en Russen gebleven en zaten veilig in Schotland. Op 21 juni 1941 verklaarde Duitsland de oorlog aan Rusland. Sikorski kreeg van de Russen gedaan dat ze de krijgsgevangen Polen, waarvan veel ervan naar Siberië waren getransporteerd, vrijlieten en er mocht een leger van 100.000 man uit geformeerd worden. Via Irak en Perzië werd dat leger verplaatst naar Egypte. Een deel ervan nam deel aan de woestijnoorlog in Noord-Afrika. Daarna trok de krijgsmacht via Sicilië Italië door, waar ze ondermeer het onneembaar geachte Benedictijnenklooster Monte Casino innamen. Een deel van dit leger voegde zich bij de Eerste Poolse Pantserdivisie. Tussen 20 juli en 5 augustus 1944 werd die in Normandië aan land gezet. Na een harde strijd bij Caen en Falaise wisten de Polen door te breken.
De eerste maand verloren zij aan doden, gewonden en vermisten 2000 manschappen. Op de flank van het Eerste Canadese Leger moeten zij de toegang tot de haven van Antwerpen zien vrij te maken. In tien dagen tijd wisten ze een afstand van 500 kilometer af te leggen. Over Gent en Sint- Niklaas bevrijdden zij Oost- Zeeuws-Vlaanderen ten oosten van het Kanaal van Gent naar Terneuzen tot aan de Schelde en Westerschelde. De Canadezen bevrijdden het gebied ten westen van het kanaal en na een moeizame strijd West-Zeeuws-
Vlaanderen. Een Britse legergroep nam Antwerpen in. Bij de acties in Zuid- en West-Europa verloor de Eerste Poolse Pantserdivisie 5092 manschappen aan doden, gewonden en vermisten, nagenoeg een derde deel van de totale divisie.




