|
Introductie Onze vereniging Contact Links Programma Historie Copyright & disclaimer |
|
Vereniging 1e Poolse Pantserdivisie Nederland |
![]()
| |
Media : 2002/2003/2005/2006/2007/2008/
Archief 2004
Over de activiteiten van de Vereniging 1e Poolse Pantserdivisie zijn in 2004 de volgende artikelen gepubliceerd:
Brit steekt geld in Duitse tank.
Alsof er een heel nieuwe tank staat.
Het wonder van Ludwik Kurpisz.
President Polen bij 60 jaar bevrijding.
In het spoor van?
Netwerk
Lintjes voor tweede generatie Polen.
Tankinterieur onthult 60-jarig geheim.
Poolse tank niet tijdig klaar.
De strijdkreet van Polen klinkt weer.
Bevrijdingsloop.
60 Jaar vrede, gedicht oud-strijder.
Oorlog maakt mensen verdrietig.
Het mooie meisje bij Jaak van Wijck.
Lintje voor Poolse generaal
Artikel uit BN/DeStem
Brit steekt geld in Duitse tank
Door Leo Nierse

Woensdag 28 juli 2004 - BREDA – De Engelse miljonair Kevin Wheatcroft gaat de
Duitse tank uit het Wilhelminapark restaureren. De in zijn vaderland nationaal
befaamde verzamelaar van legervoertuigen en grand-prix-oldtimers steekt ten
minste € 25.000 in het Bredase project.
De
restauratie moet begin oktober voltooid zijn. Het gaat om een
gesloten-beurstransactie tussen Breda en de Brit. Woordvoerder O. Roks van de
gemeentelijke dienst Stadsbeheer heeft dat gisteren meegedeeld.
Vier werknemers van Wheatcroft zullen de klus vanaf eind augustus klaren in de
Bredase restauratiewerkplaats van aannemer T. Visker in de Krogten. Zij voorzien
de tank onder meer van een nieuw ventilatie- en afwateringssysteem, zodat het
pantservoertuig niet opnieuw van binnenuit kan wegroesten.
De deal met Wheatcroft bestaat eruit dat de Britse collectioneur onder meer de
elfhonderd kilo wegende tankmotor en het aansturingsmechanisme van de
geschutskoepel in handen krijgt. Voor de louter symbolische functie die de
monumentale tank in Breda heeft, is de rij- en draaifunctie overbodig, zo heeft
het stadsbestuur overwogen.
Panther-D
De vermogende Wheatcroft daarentegen is bereid daar goud voor te geven.
De Brit bezit, net als Breda dus, één van de laatste drie overgebleven
Panther-D-tanks ter wereld. Maar anders dan Breda, wil Wheatcroft zijn exemplaar
per se rijklaar maken; al was het maar omdat zijn onmetelijke wagenpark nabij
Nottingham een nationale attractie voor de Britten is.
Als tegenprestatie bekostigt hij met eigen middelen, mankracht en know-how een
50-jarige conservering, waar Breda vorig jaar - toen nog onkundig van het
compleet intact gebleken tankinterieur - een vijftienjarige conservering had
voorzien, waarvoor 51.500 was uitgetrokken. De totale restauratiewaarde bedraagt
straks door Wheatcrofts inbreng zo’n 85.000, schat woordvoerder Roks.
Toch krijgt de Engelsman maar enkele originelen in handen. Voor wat betreft het
leeuwendeel van het interieur, moet hij zich tevreden stellen met afgietsels.
Hij mag slechts mallen maken, aangezien de Panther-D-tank als geheel ‘een
geschenk van de Poolse bevrijders aan de Bredase burgerij is’.
Bruikleen
Het leeuwendeel van het tankinterieur blijft met andere woorden in handen van de
gemeente Breda. Die zal een aantal onderdelen mettertijd aan een of meerdere
musea in bruikleen geven. Roks: „De Duitse tank behoort in onze opvatting tot
het Bredase culturele erfgoed dat voor velen in de stad grote emotionele
betekenis heeft. Het zou niet gepast zijn om het te verhandelen.“
Na de restauratie door de Wheatcroftploeg schildert Visker de tank begin oktober
opnieuw in de welbekende camouflagekleuren. Vervolgens wordt het monument op een
onlangs aangebracht plateau op zijn oude plek in het Wilhelminapark
teruggeplaatst. Daarmee is het door de 1e Poolse Pantserdivisie in
1945 aan Breda geschonken oorlogsmonument in volle glorie hersteld. Als die
planning gehaald wordt, is dat mooi op tijd voor de herdenking van zestig jaar
bevrijding van Breda op 29 oktober.
De
Duitse Panther-D op een oude ansichtkaart. Werknemers van de Britse
miljonair Kevin Wheatcroft gaan de tank in Breda herstellen.
(Foto: Stadsarchief Breda)
Artikel uit BN/DeStem
‘Alsof er een heel nieuwe tank staat’
Door Leo Nierse

Vrijdag 29 oktober 2004 - BREDA –„Wat is dat fantastisch gedaan. Alsof
ze hier een heel nieuwe tank neerzetten.“ En: „Hij ziet er puik uit.
Precies zoals een tank er uit hoort te zien.“
Dat soort
uitroepen van bewondering maakte de Duitse Panther D-tank gisteren los
bij de kleine honderd Bredanaars die zich halverwege de ochtend in het
Wilhelminapark hadden verzameld. Het piekfijn gerestaureerde
oorlogsmonument keerde om klokslag 11.00 uur terug op zijn vaste plek in
het park, na tien maanden van afwezigheid. Een kwartiertje later was het
gevaarte uit de takels. En prijkte het voor de duur van zestig jaar
geconserveerde pantsertuig alweer op de hoek met de Paul Windhausenweg.
Bijna alsof het weer 29 oktober 1945 was, de dag waarop de Eerste Poolse
Pantserdivisie haar oorlogsbuit ten geschenke gaf aan de stad die zij
een vol jaar eerder had bevrijd. Wijlen Janeke Boeren, de Ulvenhoutse
chauffeur van Stoof, kwam toen met de Poolse gift op zijn dieplader de
stad binnengereden. Ditmaal was het aannemer en mede-restaurateur Ton
Visker die met de tank kwam aanzetten.
Standaardkleuren
Maar voor de rest was de Panther-D - een van de laatste tanks van dit
type in de gehele wereld - gehuld in de kleuren die hij al decennia lang
niet meer heeft gedragen: zandgeel met flessengroene camouflagevegen,
precies de standaardkleuren van de Wehrmacht, waarmee de ‘Bredase tank’
in juni 1943 de fabriek in Mannheim verliet.
Even ‘origineel’ is de nu op het tankfront teruggekeerde tekst waarmee
de bevrijders destijds hun cadeautje aan de stad signeerden. Geflankeerd
door de wapens van de Eerste Poolse Pantserdivisie en het nationale
wapen van Polen, staat nu weer in witte verf onder de loop: ‘Stad Breda
- 1e Pantserdivisie - 29.10.1945’ - maar dan in het Pools.
Die tekst, die misschien al veertig jaar geleden van de tankwand
verdween, zou vast vergeten en voor een volgende generatie Bredanaars
verloren zijn, als de restaurateurs die niet op deze wijze in ere hadden
hersteld.
Ook dat facet bleef gistermorgen niet onopgemerkt. Ed Cuber, Bredase
zoon van een Poolse bevrijder: „Petje af voor Breda. Dat ze zóveel
moeite hebben gedaan om de tank te conserveren, maakt dit tot een
bijzonder waardevol monument.“ Het voertuig is tijdens de restauratie
‘afgeslankt’ tot 35 ton. „We hebben acht ton aan materiaal uit het
interieur gehaald“, vertelde de Bredase tankexpert Ger Zonneveld. Hij
heeft de tank uitvoerig onderzocht.
„Een aantal misverstanden kunnen we nu uit de wereld helpen. Zo hebben
we vastgesteld dat het geen exercitietank was die alleen voor oefeningen
werd gebruikt. Deze Panther heeft wel degelijk dienst gedaan tijdens
meerdere veldslagen.
Dat is alleen al uit de vele gevechtsschade gebleken. Dat de Polen Breda
een nieuwe tank cadeau hebben gedaan, zoals vaak wordt beweerd, is dus
echt onzin“, aldus Zonneveld.
„Anderzijds is vaak gesteld, dat de Panther D een zeer betrouwbare tank
was. Ook dat is niet waar. Die goede reputatie was Duitse propaganda.
Eigenlijk was de Panther D een slechte kopie van de superieure
Russissche T34. Alleen waren ze door de veel lichtere Shermantanks van
de Amerikanen moeilijk uit te schakelen.“
Het fiere restauratieobject was gisteren trouwens maar enkele uren
zichtbaar. ’s Middags werd de Panther met een groen afdekzeil en een
camouflagenet ingepakt. Bovendien ging er een ‘anti-vandalisme’-hek
omheen.
Metamorfose-effect
Bedoeling is namelijk dat het metamorfose-effect nog even gerekt wordt
tot zaterdag. Die dag verrichten wethouder Janus Oomen en een Poolse
veteraan rond 14.10 ur de officiële onthulling. Nog vóór het eind van
het jaar plaatst de gemeente een informatiebord bij het monument. Alleen
zal daarop vast niet vermeld worden, dat de Bredase tank tegenwoordig
maar op een oorspronkelijke rupsband staat. De andere is afkomstig is
van de Engelse Panther D. Maar dat valt toch geen mens op.
(Foto Johan van Gurp)
Artikel uit BN/DeStem
Door Peter de Leeuw

Zaterdag 23 oktober 2004 - De nacht voor de bevrijding van Breda, op
zondag 29 oktober 1944, sliep hij met zijn makkers in een woning aan
de Bavelselaan. De bewoners sliepen in de kelder, de Polen in het
huis. „Ik geloof dat het nummer 72 was“, zegt Ludwik Kurpisz (84)
bijna zestig jaar later aan zijn huiskamertafel in Geeren-Zuid, waar
hij zijn gasten met koffie, gebak en chocolaatjes ontvangt.
Op tafel
liggen niet alleen foto’s van zijn diensttijd, van hem, zijn vrouw
en dochter en van een naoorlogse ontmoeting met generaal Stanislaw
Maczek, maar ook zijn militair rijbewijs, een lovend getuigschrift
en het volledige overzicht van zijn staat van dienst in de Poolse
krijgsmacht. „Ik geloof in wonderen. Dat ik dit allemaal nog kan
vertellen“, zegt hij, waarbij hij ook denkt aan de acht operaties
die hij sinds de jaren zeventig heeft ondergaan.
Hij is weduwnaar. Zijn vrouw Rosa is in 1997 overleden. Aan tafel
zegt dochter Lisette (56): „Voor mij is hij altijd een heel strenge
vader geweest. Alle Polen waren volgens mij strenge vaders. Ik ben
in Polen geweest en daar wordt anders over opvoeding gedacht dan
hier. Dat hij oud-militair is, heeft er minder mee te maken.“
Hij zag in 1920 het levenslicht in Slobodka Muszkatowiecka, dat de
Sovjet-Unie na de oorlog annexeerde en tegenwoordig bij de
zelfstandige Oekraïne hoort. „Ik had drie broers en een zus“, zegt
hij. „Mijn vader, die jong is overleden, werkte bij de spoorwegen.
Ik wilde bankwerker worden, maar mijn moeder vond dat vuil werk. Ze
vond het niet goed. Daarom werd ik filiaalhouder in een winkel. In
Polen moest je op je 21e in militaire dienst. Ik wilde graag voor
mezelf beginnen en meldde me eerder als vrijwilliger aan. Dan kan ik
ook eerder een winkel beginnen, dacht ik.“
Het liep anders.
Hij kwam op de eerste lentedag van 1939 onder de wapenen en zwaaide
op 1 oktober 1947 af.
In Breda werd hij machinebankwerker bij Hispano Suiza (later Ambac)
aan de Terheijdenseweg, dat indertijd nog wapens maakte. „Ik hoorde
bij de grensbewaking aan de Tsjechische grens toen de oorlog
uitbrak. Polen werd door de Duitsers én de Russen aangevallen. Daar
konden we niet tegenop. Met ons bataljon zijn we uitgeweken naar
Hongarije. We moesten daar onze wapens inleveren en werden
geïnterneerd.“
Van de tijd in Hongarije herinnert hij zich, ‘dat we een beetje
gymden en ’s zondags gingen we naar de kerk natuurlijk’. Intussen
had de Poolse regering in ballingschap zich onder leiding van
generaal Sikorski in Parijs gevestigd. De regering zorgde dat de
militairen in Hongarije aan valse papieren kwamen.
Na de zondagse mis gingen Kurpisz en enkele makkers in hun burgerpak
nog ‘even wandelen’. Ze meldden zich bij de Poolse consul in
Boedapest, werden van papieren voorzien, slaagden erin Joegoslavië
te bereiken en namen in Split de boot naar Frankrijk.
Hij werd daar in de omgeving van St.-Nazaire, Bretagne, opgeleid tot
onderofficier. „Op een nacht was het alarm. De Duitsers zaten al in
La Rochelle. Muildieren, half paard, half ezel, kregen we van de
Fransen. We zijn op weg gegaan naar Bordeaux. Uiteindelijk konden we
op twaalf kilometer van de Spaanse grens met een schip naar
Engeland.“ Vroeg in de zomer van 1940 kwam hij daar aan. De Poolse
regering in ballingschap zetelde inmiddels in Londen. Die schafte
met eigen geld, vaak afkomstig van Poolse emigranten van over heel
de wereld, gevechtsvliegtuigen aan en richtte de Eerste Poolse
Pantserdivisie op. Onder bevel van generaal Stanislaw Maczek werd de
divisie in 1942 in Schotland geformeerd. Voor de bevrijding van
Polen uiteraard. „Maar Polen werd verkocht“, zegt Kurpisz.
Hij werd chauffeur bij het 1e anti-tankregiment van de
pantserdivisie, de artillerie. Op 1 augustus 1944, bijna twee
maanden na D-day, kwam de divisie in Normandië aan. Om de tijd voor
de slag te doden, speelde hij kaart met andere chauffeurs. Hij won
honderd pond met poker, duizend gulden in die dagen, zette het geld
op de bank en had zodoende enkele jaren later geen duizend maar
tweeduizend gulden demobilisatiegeld.
De vuurdoop voor de pantserdivisie was verschrikkelijk. Meteen al
bij de eerste slag, bij Caen en Falaise, sneuvelden ruim vierhonderd
Polen.
„We waren omringd door lijken“, zegt Kurpisz. Maar toen de Duitse
vijand in Normandië eenmaal was verslagen, ging het hard vooruit.
„Vijftig, zestig kilometer per dag. Ieper, Gent, St.-Niklaas?“
Op 16 september zetten de manschappen van Maczek voor het eerst voet
op Nederlandse bodem. Ze bevrijdden Axel, Hulst en Terneuzen. „In
Clinge sliepen de Duitsers boven en wij beneden. Die hadden zich aan
ons overgegeven, maar ja, we moesten ze ergens laten.“ Vanuit
Zeeuws-Vlaanderen werd de pantserdivisie naar Merksplas gedirigeerd.
Tegen het eind van de maand gingen de Polen weer tot de aanval over.
Ditmaal verloren ze in acht dagen tijd bijna vierhonderd man.
Baarle-Nassau bevrijdden ze op 4 oktober. „Daar hadden we voor het
eerst weer vlees te eten. In ruil voor sigaretten kregen we een kalf
van een boer. In Alphen lag ik in een stelling bij het bos. Bij een
boerderij daar zijn drie of vier man van ons gesneuveld.“ „We zijn
daar drie weken gebleven“, zegt hij. „Op een avond kregen we te
horen: ‘We gaan naar een grote plaats’. We kwamen over de
Bavelselaan, maar in ’t Ginneken konden we niet verder. We verloren
er nog een carrier.“ Hij wijst op een foto die voor hem op tafel
ligt. Hij en andere Poolse bevrijders poseren op de hoek van de
Schorsmolenstraat, Haagdijk en Nieuwe Haagdijk. De Bredanaars
vroegen de Polen om sigaretten, chocola en cornedbeef.
Hij leerde in die dagen Rosa de Ceuster kennen, met wie hij drie
jaar later zou trouwen. „Ik heb altijd tegen haar gezegd: ik trouw
niet zolang ik een uniform draag. Ik kon nog gewond raken of
sneuvelen.“ Na de bevrijding van Breda trok de divisie van Maczek
verder naar Zevenbergschen Hoek en Moerdijk. „Met Kerstmis 1944 liep
ik patrouille aan de Maas bij Rosmalen. Dat patrouillewerk viel nog
vies tegen, want dat waren we niet gewend. Met Nieuwjaar gingen aan
beide kanten van de rivier alle lichten aan. De Duitsers en
geallieerden gaven elkaar zo een nieuwjaarsgroet. Maar een half uur
later kwam de artillerie in actie en was het weer oorlog.“
Zodra hij verlof had, ging hij naar Rosa, die bij haar zus en
schoonbroer aan de Prins Hendrikstraat woonde. Die winter raakte hij
overspannen. „De dokters in het Ignatius konden me niet helpen en
stuurden me naar de nonnen in Tilburg. Wat een knappe grieten waren
dat“, herinnert hij zich.
In het voorjaar was hij weer van de partij toen de pantserdivisie
via onder meer Emmen en Ter Apel naar Duitsland oprukte. Nu achter
het stuur van een vrachtwagen om de troepen te bevoorraden. Na de
oorlog vestigde zich in Warschau een communistisch regime, dat de
manschappen van Maczek als verraders behandelde. Hij was het liefst
naar Canada geëmigreerd, maar Rosa wilde niet weg uit Breda. „Ik
ging bij de Saval werken en we kregen een zolderkamer bij
schoonmoeder aan de Oede van Hoornestraat“, zegt hij.
„Ik ben er een van een tweeling, maar het jongetje overleed al na
een dag“, zegt zijn dochter. „Natuurlijk merkte ik dat ik de dochter
van een Pool was. Ik ging op zaterdag naar het Poolse schooltje. Ik
spreek nog steeds een beetje Pools. We dansten er ook in Poolse
klederdracht. Af en toe gaven we een optreden. Dat vond ik wel leuk.
En niemand kon mijn achternaam goed uitspreken. Als op school de
namen werden opgelezen, zat ik bij de C al te bibberen. Kurpisz, dan
zat heel de klas te lachen.“
Hij nam na twee jaar ontslag bij Saval en werkte nog enige tijd bij
de HKI, de ‘Kunstzij’, voordat hij bij Hispano Suiza aan de slag
ging. Op voorspraak van dat bedrijf verruilde het gezin de flat aan
de Van Rijckevorselstraat voor het toen pas opgeleverde huis in
Geeren-Zuid. „Met één kind kwamen we heel lang niet in aanmerking
voor een huis“, zegt hij. „We hebben niks voor niks gekregen.“
Vanwege zijn gezondheid sukkelde hij rond zijn zestigste uit het
arbeidsproces.
In 1960 is hij voor het eerst weer in Polen geweest. Zijn moeder,
broers en zus leefden toen nog.
„De eerste keer zijn we met de trein gegaan. In Poznan moesten we
overstappen. Op het perron stond een Rus. ‘Kijk, een Rus’, zei ik
tegen haar. Stomverbaasd zei ze: ‘Pap, dat zijn dezelfde mensen als
wij’.“
(Repro Johan van Gurp)
Artikel uit BN/DeStem
President Polen bij 60 jaar bevrijding
Door Petra Huijser
Donderdag 12 augustus 2004 - BREDA – De Poolse president
Alexander Kwasniewski is eind oktober bij de herdenking van
Breda 60 jaar vrij. Mogelijk is ook koningin Beatrix bij de
plechtigheden aanwezig.
De
officiële bevestiging van de komst van de president laat nog op
zich wachten, maar Ad Kuijl, coördinator van het comité ‘Breda
60 jaar vrij’, heeft er alle vertrouwen in dat het goed komt.
„We hebben heel goede contacten met onder meer de Poolse
ambassade. Zo is het idee ontstaan om de president uit te
nodigen.“
Ook de aanwezigheid van koningin Beatrix wordt niet uitgesloten,
maar haar komst is nog wat meer in nevelen gehuld. „Het zou in
elk geval een mooie waardering zijn voor wat de Polen hier
destijds voor ons hebben gedaan“, redeneert Kuijl.
De Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) kan de mogelijke komst van de
koningin niet bevestigen. „Het is simpelweg te vroeg in het jaar
om te kunnen zeggen of hare majesteit in oktober in Breda
aanwezig zal zijn.“
De RVD is ook verantwoordelijk voor het programma van de Poolse
president tijdens zijn bezoek aan Nederland.
„Dat is nog niet officieel vastgesteld. We zijn nog in overleg
met Polen om de agenda vast te stellen“, houdt de dienst zich op
de vlakte.
Kuijl heeft er alle vertrouwen in dat het goed komt. „De
bevrijding van Breda door generaal Maczek ligt bij Polen heel
gevoelig. Zelfs de paus kent Breda daarvan. En het feit dat het
dit jaar 60 jaar geleden is, dat die bevrijding plaatsvond,
geeft het een extra dimensie.“
Kuijl is de coördinator van een comité dat is opgericht om een
programma samen te stellen rond de festiviteiten en
herdenkingen. Dat comité bestaat uit leden van de Bredase
Culturele Vereniging Polonia, Vereniging 1e Poolse
Pantserdivisie Nederland, Poolse Folkloristische Dansgroep Mazur
en het Comité Herdenking 1944 Ginneken.
Het comité maakt deel uit van de Stichting Jaarlijkse Herdenking
Bevrijding Breda.
Het voorlopige programma voorziet onder meer in een
herdenkingsconcert op vrijdag 29 oktober in de Grote Kerk.
Zaterdag 30 oktober trekken voertuigen van ‘Keep them rolling’
met Poolse oud-strijders door de stad via de route van 1944, met
als eindpunt de Grote Markt.
Daarna worden Poolse oud-strijders en weduwen van oud-strijders
ontvangen door het gemeentebestuur.
Zondag 31 oktober staan er een mis in de Mariakerk waarin
bisschop Muskens voorgaat, een herdenking op het Poolse ereveld
aan de Vogelenzanglaan en de Ettensebaan op de agenda.
Artikel uit BN/DeStem
Zaterdag 17 januari 2004 - Sergeant-majoor Francois Visser
en cadet Rick de Landmeter van de Koninklijke Militaire
Academie in Breda treden zonder voedsel, vervoer en onderdak
in de voetsporen van de Eerste Poolse Pantserdivisie, die
Breda in 1944 heeft bevrijd. Om van de Normandische
invasiestranden tot diep in Polen te reizen moeten ze in
zeven dagen tijd zo’n 2100 kilometer afleggen. Doel:
sponsorgeld voor War Child.
Vandaag: dag vijf.Vertrekpunt: Frankfurt a/d Oder, Duitsland
Eindpunt: Poznan, Polen
Afgelegde afstand: hemelsbreed zo’n 300 kilometer >Weer: Wat
regen, daarna droog, ongeveer vijf graden onder nul „Als dit
in de krant staat dan zijn we, als alles goed gaat, in Zagan,
ons eindstation. Nu zitten we op het station van Poznan, nog
350 kilometer van Zagan vandaan. Vanmorgen stonden we nog in
Warschau waar we om twaalf uur ’s nachts waren aangekomen.
De jongens van de bezemwagen stonden ons op te wachten en
wat bleek? Het personeel van de Nederlandse ambassade had
een mooi hotel voor ons geregeld. Dus het zat wel goed met
slapen en eten.
We waren er eerlijk gezegd ook wel aan toe. Vanzelfsprekend
werd het dus een mooie dag in Warschau. We zijn naar het
monument van de 1e Poolse Pantserdivisie geweest en dat was
heel indrukwekkend, maar daarna moesten we weer verder. Dat
viel nog niet mee. Het lukte ons niet om een gratis kaartje
te regelen. Want Poolse pantserdivisie of niet, de
conducteurs laten niet toe dat er gratis gereisd wordt. Dan
krijgen ze problemen met hun chef. En die weer met zijn
chef. We moesten dus iets anders verzinnen en daarom hebben
we geprobeerd om in Warschau wat geld bij elkaar te
sjacheren. Dat viel niet mee. Eten wil iedereen ons wel
geven, dat is geen probleem. Maar geld, dat is een ander
verhaal. D’r zijn daar dan ook zoveel bedelaars in de stad.
Daarom zijn we zonder kaartje op de trein naar Poznan
gestapt. Iemand heeft ons namelijk verteld dat de trein van
Warschau naar Poznan geen tussenstops kent, dus kunnen ze
ons er pas in Poznan uitzetten. We hebben ons wel meteen
gemeld bij de conducteur. Die deed in eerste instantie
verschrikkelijk moeilijk, maar na verloop van tijd liet hij
het er bij zitten. Ik denk dat hij wel begrip kon opbrengen
voor ons reisdoel. Tegen de avond zijn we in Poznan
aangekomen, waar we een interview verkocht hebben aan de
Defensiekrant. Met dat geld kunnen we een kaartje kopen voor
Zagan. Het gaat goed. Nog 350 kilometer, dan zijn we d’r.“
![]()
Onderwerp: De vergeten helden van de slag om Arnhem. Uitzenddatum: Di. 14 september 2004, 20.30u. Verslaggeving: Geertjan Lassche

Ze deden er alles aan zoveel mogelijk Britse soldaten te redden, maar werden
verguisd en uiteindelijk vergeten: de Polen die vochten in de Slag om Arnhem.
Netwerk ontdekte dat koningin Wilhelmina twee keer vroeg om een onderscheiding
voor de Poolse generaal Sosabowski, maar dat dit werd geweigerd door de
toenmalige kabinetten.
Onterecht
Aan de vooravond van de 60-jarige herdenking van de Slag om Arnhem, een
portret van de vergeten helden van die strijd. Het is de Poolse
parachutistenbrigade onder leiding van generaal Stanislaw Sosabowski, die de
schuld krijgt van het mislukken van operatie Market Garden. Zestig jaar na dato
blijkt dat volledig onterecht te zijn en zelfs de huidige minister van Defensie,
minister Kamp, bezint zich nu over een vorm van eerherstel voor de generaal en
zijn manschappen. Netwerk deed onderzoek naar de kwestie: waarom werd de
heldenrol van de Polen nooit erkend?
Market Garden
Op 17 september 1944 ging de operatie ‘Market Garden’, later bekend geworden als
de Slag om Arnhem, van start. Tijdens het eerste deel, operatie ‘Market’, zouden
de belangrijkste bruggen tussen Arnhem en Eindhoven veroverd worden. Vervolgens
zouden de geallieerden via Eindhoven door kunnen stoten naar Arnhem. Maar het
verliep allemaal anders…
Generaal Sosabowski
Toen eenmaal bleek dat de Britse troepen op veel weerstand stuitten, werd de
hulp van Poolse parachutisten ingezet, onder leiding van generaal Stanislaw
Sosabowski. Eerder had Sosabowski al aangegeven geen heil te zien in de
onderneming. Hij kreeg gelijk: de Polen werden bij Arnhem als konijnen
afgeslacht. Ondanks de verliezen lukt het ze toch duizenden gevluchte Britten te
redden, door ze de Rijn over te helpen.
Eerherstel
Generaal Sosabowski kreeg echter nooit de eer die hij verdiende. Integendeel,
hij en zijn troepen werden beschuldigd van het verlies omdat ze te bang zouden
zijn geweest. De generaal werd ontslagen uit het leger en eindigde ergens in
Engeland als magazijnmedewerker. Maar zestig jaar na dato zijn er de eerste
tekenen van een postuum eerherstel.
Herdenking
De komende week staat in het teken van herdenkingen rond Market Garden.
Aanstaande zaterdag (18 september) vindt er in Driel een herdenking van de Polen
in de Slag om Arnhem plaats. Michael Sosabowski, de kleinzoon van de generaal,
zal daar een parachutesprong maken. Daarnaast wordt in Driel een expositie
georganiseerd door de stichting ‘Wojtek, Poolse bevrijders op alle fronten’.
Archief: Market Garden
Netwerk besteedde eerder aandacht aan de website die ter nagedachtenis van de
slachtoffers van operatie Market Garden is geopend.
Artikel
uit BN/DeStem
Lintjes voor tweede generatie Polen
Van onze verslaggever

Woensdag 27 oktober 2004 - BREDA – „De Poolse bevrijders hebben allemaal
al een borst vol medailles, nu komt de volgende generatie Poolse
Bredanaars eens aan de beurt.“
Het viel
een van de aanwezigen wat speels uit de mond, gistermiddag in de Trip van
Zoudtlandtkazerne. Maar tegelijkertijd was het de spijker op de kop.
Drie Bredase zonen van Poolse oud-strijders plus de (Poolse) echtgenote van een
van hen ontvingen er uit handen van de Poolse ambassadeur Jan Michalowski (3e
van links) een
onderscheiding wegens hun verdiensten voor de Poolse gemeenschap in Breda. Maar
dat gebeurde wel onder het toeziend oog van veel zwaargedecoreerde veteranen,
ofschoon ook de derde generatie niet helemaal ontbrak.
Michalowski was met zijn nieuwe consul, Janusz Dawidowicz, naar de Markstad
afgereisd om in totaal tien Poolse Nederlanders te decoreren.
De vier Bredanaars kregen allen het Ridderkruis in de Orde van de Republiek
Polen. Ed Cuber (Ulvenhout) (2e van links)als secretaris van de stichting Herdenkingen
Ginneken ’44; Frans Ruczynski (1e van links) als voorzitter van het Generaal Maczekmuseum; Ad
Stopa (4e van links)als oprichter en (oud)-voorzitter van de Bredase culturele vereniging Polonia, de vereniging Eerste Poolse Pantserdivisie Nederland en het Pools
Olympisch Comité Nederlands; en diens echtgenote Krystyna Stopa-Konowrocka.(5e
van links)
Mevrouw Stopa heeft zich de afgelopen vijftien jaar ingezet voor veel Poolse
organisaties in Breda, waaronder het ‘Poolse schooltje’
(Foto Jan Stads)
Artikel uit BN/DeStem
Tankinterieur onthult 60-jarig ‘geheim’
Door Leo Nierse
Zaterdag 17 april 2004 - BREDA – Iedereen die ook maar één keer in Breda is
geweest, lijkt hem al meteen te hebben opgemerkt: de Duitse tank op de hoek Gen.
Maczekstraat/Paul Windhausenweg. Het herkenningspunt voor velen - vaak
abusievelijk als de ‘Poolse tank’ aangeduid - is voor restauratie een
halfjaartje van zijn plek, maar Jan en alleman kan het oorlogsmonument wel
dromen. Dat wil zeggen: de buitenkant.
Want zo
vertrouwd als de aanblik van het exterieur is, zo onbekend is het inwendige van
het op de Duitse bezetter buitgemaakte oorlogstuig, dat de Poolse bevrijders van
Breda in oktober 1945 aan de stad schonken.
Niet zo vreemd, want na aankomst in Breda is de tank meteen dichtgelast. En
nooit meer open geweest. 58 jaar lang bleef het nagenoeg unieke tankinterieur
een goed bewaard (publiek) geheim. Over de Bredase Panther D-tank - een type
waarvan er voor zover bekend maar drie in de gehele wereld zijn overgebleven -
circuleerden dan ook decennialang de vreemdste geruchten. Zo zou de tank
volgeschept zijn met zand. Andere - zelfs officiële schriftelijke - bronnen
melden dat het motorblok met beton werd volgestort.
Onzin
Nu het oorlogsmonument afgelopen december ten langen leste door
restaurateurs is geopend, blijkt het allemaal onzin te zijn. Toen het
pantservoertuig werd dichtgelast, zaten alle onderdelen en inventaris er nog in.
Uit het motorblok waren slechts de ontsteking en de accu’s verwijderd. Veel van
het inwendige is gewoon door binnengesijpeld regenwater weggerot.
Nog een misvatting: de Polen zouden een nieuwe tank hebben weggegeven, die recht
uit de fabriek kwam en nooit in een veldslag had gediend.
De Bredase ‘Panther’ blijkt echter wel degelijk een ‘oorlogsverleden’ te hebben.
Reparatiesporen getuigen daarvan, alleen hebben de restaurateurs tot op heden
niet kunnen achterhalen waar de in de tweede helft van 1943 gefabriceerde tank
zoal ingezet is geweest.
„We hebben de hele wereld al aangeschreven, maar er is niemand te vinden die het
ons kan vertellen“, verzucht de Bredase tank-expert Ger Zonneveld. „Bekend is
alleen dat er in de zomer van ’43 tweehonderd Panther D-tanks aan de slag bij
Koersk hebben deelgenomen en dat er iets later nogeens tweehonderd stuks naar
Italië zijn gegaan.“
Als historisch en technisch adviseur van restauratie-aannemer Ton Visker, heeft
Zonneveld inmiddels honderden uren tussen de door roest aangevreten
pantserwanden doorgebracht.
Behalve boordgereedschap, reserveonderdelen en munitie, trof hij ook
kledingstukken, verbandmiddelen, eet- en scheergerei, zelfs een zonnebril en een
pakje sigaretten van de Duitse (5-koppige) bemanning aan.
Trompet
Plus ruim één kuub afval. Niet alleen volop aarde, blikjes en
frietzakken, maar ook speelgoed zoals proppenschieters, een klappertjespistool,
een hockeystick en sportkleding. Want heel wat generaties straat- en schooljeugd
vonden in het monumentale pantser een dankbaar speelobject.
En niet alleen zij, getuige de ongetwijfeld betreurde aanwezigheid van
bromfietspapieren en het koperen mondstuk van een trompet. Laatstgenoemd
attribuut ‘ontviel’ de blazer van een carnavalsbandje dat zich medio jaren
tachtig voor een platenhoesje op de tank liet vereeuwigen. Zoveel is dus al
bekend; nu de naam van de gedupeerde trompetter nog.
Dit ongeregeld residu van zes decennia stadsleven kregen de restaurateurs er
gratis bij. Maar waar ze werkelijk naar zochten liet soms langer op zich
wachten. Zo zochten ze aanvankelijk tevergeefs naar het voor kenners zeer
belangrijke chassisnummer van de tank, omdat daarmee in de Duitse
fabrieksarchieven veel historische informatie valt op te sporen.
Zonneveld: „Alleen daaraan hebben we al tientallen uren besteed. Niks te
vinden.“ Bleek het chassisnummer (210198) gewoon aan de buitenkant ingeslagen te
zijn, op de transportbeugel van de loop. Die toevallige vondst heeft twee volle
maanden op zich laten wachten.
Enkele kleine stukken tankinventaris worden momenteel in de Centrale Bibliotheek
geëxposeerd door de Bredase afdeling van het Centrum voor Oorlogsdocumentatie
1940-’45.
Artikel uit BN/DeStem
‘Poolse tank’ niet tijdig klaar Restauratie omvangrijker dan voorzien
Door Leo Nierse
Donderdag 15 april 2004 - BREDA – De monumentale Duitse Panther D-tank is op 4
mei niet terug op zijn vertrouwde plek in het Wilhelminapark. De restauratie
blijkt veel omvangrijker dan voorzien.
Het kan
tot diep in de zomer duren voordat het oorlogsmonument wordt teruggeplaatst. Een
woordvoerder van de gemeente heeft dat gisteren bevestigd.
Het van eind 1943 daterende oorlogstuig - dat de Poolse bevrijders van Breda in
1945 aan de stad cadeau deden - ligt momenteel nog in duizend gedemonteerde
stukken in de loods van zandstraalbedrijf Visker in de Krogten. Daar is het niet
bijster adequaat onderhouden monument op 17 december naartoe vervoerd.
Tijdens de demontage van het interieur ontdekten de restaurateurs dat de tank
veel zwaarder gehavend was, dan aan de buitenkant viel af te zien. Het
pantserstaal bleek niet opgewassen tegen de eroderende kracht van het
hemelwater, dat gedurende 58 jaar langs de geschutskoepel naar binnen sijpelde.
Restauratie-adviseur G. Zonneveld van aannemer Ton Visker vertelt ‘twintig
emmers roest eruit gehaald’ te hebben. „De pantserplaten achter de
geschutskoepel, bijvoorbeeld, zijn grotendeels weggerot. Wat ervan resteert, is
flinterdun.“
Roestkorst
Ook het onderstel - dat sinds 1951 onbeschrmd in de aarde heeft gestaan
- is zwaar aangetast. Tussen wielen en rupsbanden is een dikke roestkorst
gegroeid. Om herhaling daarvan te voorkomen, zal de tank op een (nieuw) voetstuk
moeten worden teruggeplaatst.
Het is intussen duidelijk dat de Panther D - waarvan er nog maar drie op de hele
wereld te vinden zijn - onmogelijk gerestaureerd kan worden voor de aanvankelijk
daarvoor uitgetrokken 60.000. Dat bedrag dekte het zandstralen en
overschilderen, enige interieurmontage en twee maal transport).
Officieuze bronnen weten te melden dat de kosten een slordige 20.000 hoger gaan
uitpakken. Verantwoordelijk gemeenteambtenaar R. Karstens wil de onvermijdelijke
budgetoverschrijding echter met geen enkel woord toelichten.
Historische betekenis
„Belangrijk is alleen dat het stadsbestuur een duurzame conservering - voor
pakweg een halve eeuw - van dit bevrijdingssymbool voorstaat“, verklaart hij als
woordvoerder van wethouder J. Oomen (Stadsbeheer). „Het herstel moet rechtdoen
aan de historische betekenis van de tank voor de stad, maar ook aan de goede
contacten die we met de Poolse gemeenschap hier onderhouden. Dat zal zeker een
rol spelen in de heroverweging van het restauratiebudget.“ Simpel gezegd: het
mag wat kosten.
Of de gemeente in dat verband ingaat op een aanbod van de Britse miljonair Kevin
Wheatcroft, wil Kerstens evenmin bevestigen. Wheatcroft, eigenaar van een
nationaal vermaarde voertuigencollectie nabij Nottingham (UK), bezit een van de
drie Panther D-tanks. Zijn exemplaar wil hij rijdend maken met behulp van een
aantal nieuw te vervaardigen onderdelen. In ruil voor gietvormen van het Bredase
tank-interieur, zou de Brit een deel van de restauratie van het stedelijke
oorlogsmonument voor zijn rekening willen nemen. Karstens houdt het vaag: „Wij
zoeken nog partijen die ons behulpzaam kunnen zijn bij die goede en duurzame
restauratie. Maar bij het maken van een keuze zullen we niet over een nacht ijs
gaan.“
Niet rijden
De Bredase Panther D weer rijdend krijgen, is nooit de bedoeling geweest van de
gemeentelijke restauratieplannen. Sinds de tank in oktober 1945 door de Polen
per dieplader naar Breda werd gebracht, heeft het 43 ton zware gevaarte
stilgestaan. Nog afgezien van de gehavende rupsbanden, zou de Bredase tank
überhaupt niet meer kunnen rijden.
Het motorblok en tal van onderdelen zijn de afgelopen maanden verwijderd en
worden niet teruggeplaatst.
Over de ‘bouwgeschiedenis’ van de Duitse Panthertanks heeft de plaatselijke
afdeling van het Centrum voor Oorlogsdocumentatie 1940-’45 een kleine expositie
ingericht in de Centrale Bibliotheek (Molenstraat 6, Breda). Deze is tot 1 mei
dagelijks tijdens winkeluren gratis te bezichtigen. De volgende twee maanden is
zij te zien in het Gen. Maczekmuseum (De La Reyweg 95).
Artikel uit BN/DeStem
De strijdkreet van de Polen klinkt weer
Door Peter de Leeuw

Donderdag 28 oktober 2004 - BREDA – Breda is in 1944 bevrijd door de
Eerste Poolse Pantserdivisie en dat willen de Bredanaars precies zestig
jaar later nog graag weten. Burgemeester Peter van der Velden opent
morgenmiddag in Breda’s Museum aan de Parade/Keizerstraat de
tentoonstelling ‘Voor uw en onze vrijheid’, de strijdkreet van de Polen.
(Foto Johan van Gurp)
Pierre van der
Pol (l) van Breda?s Museum en voorzitter Frans
Ruczynski van het Generaal Maczek Museum bekijken tekeningen van de
tentoonstelling ?Voor uw en onze vrijheid?.
De expositie is tot 17 januari te bezichtigen, maar alleen komende zaterdag en zondag is het museumbezoek gratis (beide dagen van tien tot vijf)
Breda’s Museum en het Generaal Maczek Museum tekenen gezamenlijk voor ‘Za wasza i nasza wolnosc’, zoals de titel in het Pools luidt. Alle
teksten op de tentoonstelling zijn zowel in het Pools als in het Nederland.
Voorzitter Frans Ruczynski van het Generaal Maczek Museum, zoon van een oud-strijder van de pantserdivisie: „Het Generaal Maczek Museum is in
eerste instantie door de gemeente gevraagd in de hal van het stadskantoor een expositie in te richten.
Op mijn zoektocht voor die tentoonstelling kwam ik terecht bij Pierre van der Pol van Breda’s Museum. Hij liet me een map tekeningen zien van een Poolse kunstenaar, portretten van de militairen uit de oorlog, die tot voor kort bij vrijwel niemand bekend waren. Een tentoonstelling in het stadskantoor, in ons museum, in Breda’s Museum en bij de heemkundekringen in de dorpen.
Het zou erg veel van het goede worden. In overleg met de gemeente hebben we gezegd: laat Breda’s Museum één tentoonstelling houden. De medewerkers van dat museum zijn bovendien professionals, wij goedwillende amateurs.“
‘Voor uw en onze vrijheid’ telt drie onderdelen. Een ‘heldengalerij’ laat twaalf portretten van nog levende oud-strijders van de pantserdivisie zien. De foto’s zijn gemaakt door Wiesje Peels, de interviews door Gregoor Martens. Daarnaast zijn er getekende portretten van de Poolse militairen in de oorlog, gemaakt door een onbekende kunstenaar en Stanislaw Przespolewski (1910-1989). Voorts documenteren muurkranten in het museum de geschiedenis van de Eerste Poolse Pantserdivisie onder bevel van generaal Stanislaw Maczek, die op 29 oktober 1944 Breda van de Duitse bezetting heeft bevrijd.
Uniform
Conservator Pierre van der Pol van Breda’s Museum: „Als je een tentoonstelling over de bevrijding wil houden met authentiek materiaal, waarmee wij altijd werken, kom je al vlug terecht op een Pools uniform, een knijpkat een Duits affiche. Dat is niet zo interessant. Bovendien worden elke keer weer dezelfde foto’s van de bevrijding tentoongesteld. Vandaar dat we voor een andere aanpak hebben gekozen.“
De ‘vondst’ van een map getekende portretten van Poolse militairen is daarbij te pas gekomen. „Begin dit jaar kreeg Breda’s Museum een deel van de Beyerd-collectie“, zegt Van der Pol. „Daar zat een map portretten bij die een mevrouw Judwiga Walker in 1967 aan de gemeente schonk. Dat stond op de map, meer gegevens hebben we niet. We weten niet wie die mevrouw is, waar ze vandaan komt. De tekeningen zijn niet gesigneerd. Wel staat de naam en vaak de rang van de geportretteerde op de tekening. Er zit één repro bij, de rest is origineel. Vermoedelijk is het ooit de bedoeling geweest de tekeningen uit te geven. Misschien komen we door de tentoonstelling aan meer gegevens.“
Getekende portretten van Poolse militairen zijn er ook van Stanislaw Przespolewski. Hij kreeg zijn kunstopleiding voor de oorlog in Krakow, Wenen, Parijs en Poznan. In de oorlog diende hij in de pantserdivisie en maakte de opmars van Normandië naar Wilhelmshaven mee. Hij trouwde in 1949 met jonkvrouw Jeanne Prisse, dochter van de eigenaar van landgoed De Hondsdonk bij Ulvenhout. Hun zoon Edward heeft nu de tekeningen in bruikleen gegeven voor de tentoonstelling in Breda’s Museum. „Het zijn prachtige portretten“, zegt Van der Pol. „Je ziet dat er eenberoepskunstenaar aan het werk is.“
Het Generaal Maczek Museum zet komende zondagmiddag, van drie tot zes, de deuren een keer extra open. Het museum ligt op het terrein van de Trip van Zoudtlandtkazerne; legitimatie is daar verplicht.
Stanislaw Przespolewski
Artikel uit BN/DeStem
Bevrijdingsloop 31 oktober 2004
Geschreven door Anthony Oonincx 07 december 2004

Op zaterdag 30 oktober, de
dag dat Breda de 60-jarige bevrijding door de 1ste Poolse pantserdivisie
herdacht, hebben 21 atleten een estafette gelopen van Baarle-Nassau naar Breda.
Tijdens deze loop brachten 18 atleten van A.V. Sprint en 3 atleten van A.V.
Gloria de fakkel met het in Baarle-Nassau door de Burgemeesters Hendriks
(Baarle-Nassau) en Van Leeuwen (Baarle-Hertog) ontstoken bevrijdingsvuur naar
Breda. In Breda werd de fakkel overhandigd aan
Burgemeester Van der
Velden en de 91-jarige Poolse oud-strijder Roman Stolarz en werd het
bevrijdingsvuur in Breda aangestoken. De fakkelloper werd begeleid door een
loper met de Bredase vlag en een loper met de Poolse vlag
Het initiatief voor de
estafette kwam van Toon van Dongen. Na een training genietend van een kopje
koffie kwam het gesprek op de bevrijdingsloop die tot eind jaren vijftig altijd
door leden van Sprint gelopen werd. Het enkele jaren geleden overleden lid Paul
Tarczykowski was hiervan de grote animator geweest. Toon heeft samen met de zeer
ervaren organisator Cees Evers heel veel werk verricht. Minutieus werd het
parkoers verkend en uitgezet, wisselpunten vastgelegd, sponsors gezocht, atleten
gevraagd en vele besprekingen gevoerd. Via een van zijn vele contacten wist Cees
ook het probleem van het vinden van een fakkel op te lossen.
Zaterdagmorgen 30 oktober om 11 uur werd er verzameld bij Parkzicht, de bus van West Brabant Express stond al te wachten. Cees en Toon hadden werkelijk overal aan gedacht, de lunchpakketten, beschikbaar gesteld door Sprint, werden uitgedeeld en de gang van zaken doorgenomen. In Baarle Nassau/Hertog waren ook de heren Jan Roovers en Ad Kuijl aanwezig namens het Bredase herdenkingscomité. Alle atleten, waaronder wedstrijd- en fitleden staan in de mooie wit-rode outfit met achter op het shirt het embleem van de 1ste Poolse Pantserdivisie. Bij het herdenkingsmonument werden door het zeer professionele Poolse koor “Gloria” enkele liederen gezongen en toespraken gehouden door de beide burgemeesters. Na het aansteken van de fakkel vertrokken onder luid applaus alle lopers voor de tocht van 21 km. De drie leden van A.V. Gloria als fakkel- en vlaggendragers. De eerste kilometer ging nogal snel zodat Toon de volgende drie lopers op het hart drong toch vooral niet te hard te lopen. Onder constante begeleiding van een politiebusje, een heerlijke herfstzon en de enthousiaste aanmoedigingen van de atleten in de bus (helaas niet van veel publiek!!) werd via Chaam, Ulvenhout bereikt.
Hier werd
wat langer over de wissel gedaan omdat er nog 5 minuten werd voorgelopen op het
schema. Op de hoek van Poolseweg gingen na de laatste wissel de drie zonen van
Poolse bevrijders van Breda en allen lid van Sprint, Jos Koniuszek met de
fakkel, Bolek Bronowski met de Bredase vlag en Frans Ruczynski met de Poolse
vlag op weg naar de tank waarna volgens plan de gehele groep zou aansluiten. Het
liep een beetje anders.
Bij de Zandberglaan werden de lopers enthousiast begroet
door het publiek, komt ook exact op dat moment het muziekkorps eraan met
daarachter de Poolse veteranen op en in de voertuigen van Keep Them Rolling.
Een
schitterend moment, vooral de veteranen reageren enthousiast op de groep lopers.
Cees
besluit ter plekke iedereen vanaf dit punt verder te laten
lopen. Het is een drukte van jewelste, alles loopt vast en de lopers passeren
dan maar de voertuigen op weg naar het monument met de Poolse adelaar aan het
Wilhelminapark. Hier wordt door wethouder Janus Oomen samen met Frans een krans
gelegd. Er worden de nodige plaatjes geschoten van de atleten. Onder de nog
steeds stralende zon is het ook een kleurrijke groep. Cees prepareert nog een
nieuwe fakkel (met poetsdoek en veel glycerine) maar de groep is al weer
vertrokken, achter de stoet oude voertuigen aan met Toon op de fiets als
begeleider. De gehele route naar de Markt werden zij door tal van Sprintleden en
bekenden toegeroepen en kregen veel applaus. Vooral voor de drie Poolse nazaten
moet dit een bijzondere ervaring zijn geweest.
Tijdens de route heeft Frans Ruczynski verteld over de geschiedenis van de 1ste Poolse Pantserdivisie en de rol die de divisie onder leiding van Generaal Maczek heeft gespeeld tijdens de bevrijding van West-Europa en in het bijzonder Breda. (Frans is voorzitter van het Gen. Maczek Museum en goed op de hoogte van de geschiedenis). Bijzondere dank aan alle atleten voor hun inzet, Cees en Toon voor het enthousiasme waarmee zij de loop hebben georganiseerd, Jos Koniuszek voor het sponsoren van de kleding, West Brabant Express voor sponsoring van de bus, Fotoshop Roovers voor het beschikbaar stellen van digitale foto’s en alle anderen die een steentje hebben bijgedragen deze fakkelloop tot een succes te maken. Deze bijdrage van Sprint aan de bevrijdingsfestiviteiten in Breda is door velen zeer gewaardeerd.
Foto’s: Rina Ruczynski
uit
Infoblad ,,In het spoor van de divisie,, uitgave van de Vereniging 1e Poolse
Pantserdivisie Nederland
60 JAAR VREDE 1944,1945 - 2004

Net zo snel als een vogel in zijn vlucht
Is de mens ook zo vaak op de vlucht
Als het geweld hem op de hielen zit
En bedreigt zijn allerbelangrijkste bezit
DE VRIJHEID
Al 60 lange jaren
Is het ons gelukt de vrede te bewaren
Voorlopig alleen in onze Europese kring
En de inspanning om dat te bereiken was niet gering
Want de mens heeft moeite van zijn VRIJHEID iets af te staan
Zodat ook een ander krijgt een menswaardig bestaan
Alleen de allereerste mens op aarde was met zijn VRIJHEID niet blij
Want hij kon die met niemand delen
Daarom kwam snel een tweede - een vrouw erbij
Zij ruilden hun beide VRIJHEID voor vrede en zonder oorlog te voeren leefden ze tevreden
Het allereerste wat de mens bij de geboorte meekrijgt, is zijn Vrijheid
Maar van vrede had hij nog geen benul
Want het leven begint altijd bij nul
Als je een erfenis beurt met
heel wat poen
![]()
Dan kun je in je leven heel wat doen
Maar als de erfenis bestaat uit de ellendige oorlogsdagen
Ook dit zul je leven lang bij je dragen
Je kunt verschillend iets of iemand gedenken
Op deze dag hoef je helemaal niets te bedenken
Want ik sta hier, je ziet en hoort mij
En toch gaat alles aan je voorbij
Bewust kwam je hier te staan
Maar onbewust is je geest op zoek naar het verleden gegaan
Ook ik voel hoe mijn geest telkens mijn lichaam verlaat
Achterlatend een leeg body
Dat net als een afgevuurd projectiel
Een lege huls achter laat
En op zoek is naar een voor hem onbekende ziel
Zo dwaal ik, als door in de mist, steeds een vager wordend verleden
Tastend en zoekend nog steeds, tot op heden
Ik wilde mijn blijdschap tonen
Omdat wij nog steeds in de door hen bevochten vrijheid wonen
Helaas niemand antwoordde, NOBODY!
En als de klok vanavond voor de laatste keer zal slaan
En de slinger na de twaalfde slag komt stil te staan
Dan hebben wij weer afscheid genomen van hen, die alles moesten geven
Hun slinger zal altijd stille staan, zonder beweging, zonder leven
Oud-strijder v/de 1e Poolse Pantserdivisie
Edward L. Szczerbinski
Artikel uit BN/DeStem
‘Oorlog maakt mensen verdrietig’
Van onze verslaggevers

Nederland herdenkt vandaag voor de zestigste keer zijn oorlogsdoden, er gaan stemmen op om dat de laatste keer te laten zijn; is dat een goed idee?
Woensdag 4 mei 2005 - BREDA –
Freddy Wieliszek (83), oud-bevrijder van Breda:
„Natuurlijk moet de herdenking van de bevrijding doorgaan. Het bloed, zweet en
de tranen van al die jongens mogen nooit worden vergeten. Vandaag herdenken we
de doden, eerst om 17.00 op de Ettensebaan, daarna in de Grote Kerk en in het
Valkenberg. Morgen gaan we met Poolse oud-strijders naar Wageningen, waar voor
de laatste keer een defilé wordt gehouden.“
Essalha Cheggar-Elafoui (51) van het Marokkaanse Vrouwencomité:
„Oorlog is iets dat mensen over de hele wereld verdrietig maakt. Van mijn ouders
heb ik de verhalen gehoord over de gesneuvelde soldaten. Als ze er over
praatten, waren ze altijd triest. Mensen die hun leven hebben gegeven om vrede
te brengen, mag je dan ook nooit vergeten. Het zijn belangrijke mensen die iets
voor het land hebben gedaan. Daarom sta ik daar op 4 mei om acht uur altijd bij
stil.“
Marieke Schellekens, uitbaatster van het T Huis dat recht op de herdenking in
het Valkenberg uitkijkt:
„Persoonlijk hecht ik weinig waarde aan de huidige manier van Dodenherdenking.
Daarbij ligt de nadruk te veel op de Tweede Wereldoorlog. Uit respect voor de
mensen die het wel belangrijk vinden, neem ik stilte in acht, maar eigenlijk is
er in de hele wereld op ieder moment zo veel oorlog. Daar zou je constant
aandacht voor moeten hebben, niet op een vaste dag in het jaar.“
Mirviënne Sarmaat (17), leerlinge van het Baronie College uit Breda:
„Ik vind het wel belangrijk, we mogen de slachtoffers niet vergeten. Ik ben
ieder jaar twee minuten stil. Dan denk ik aan de mensen die in de oorlog zijn
overleden. Maar ook aan degenen die het hebben overleefd. Aan de manier waarop
we herdenken, moet niets veranderen.“
Nigel de Jong (19) uit Breda:
„Het is belangrijk om stil te staan bij de onschuldige mensen die toen onnodig
zijn doodgegaan. Vroeger gingen we met de basisschool naar een monument. Daar
legden we een krans. Ik ben zelf ook wel eens naar dat monument geweest. Die
twee minuten stilte zijn prima. Je zou natuurlijk, bij wijze van spreken, iedere
maand bij de slachtoffers stil moeten staan, maar dan verliest het volgens mij
zijn impact.“
Frans Ruczynski is voorzitter van het Generaal Maczek Museum in Breda:
„Dat zou wel een heel slechte zijn. Je herdenkt namelijk niet alleen maar de
doden uit de Tweede Wereldoorlog, maar ook de gevallenen na die tijd. Er zaten
mensen van ons in Cambodja, Irak, er zitten er nu Afghanistan. Wij vinden dat de
herinnering aan de Poolse bevrijders niet in een verdomhoekje mag komen. De
animo en de belangstelling voor 4 mei groeit juist. Het is zeer belangrijk dat
we op de jeugd kunnen overbrengen dat het een keer fout is gegaan.“
Artikel uit BN/DeStem
Het mooie meisje bij Jaak van Wijck
Door Eugène Loomans

Zaterdag 16 oktober 2004 - De Poolse soldaat Alfons Raichert was 19 jaar toen
hij met de troepen van generaal Maczek Breda bevrijdde. En daar zag hij Annie
staan, bij de winkel van Jaak van Wijck aan de Ginnekenweg. ‘Wat een mooie meid,
dacht ik, wat een leuke vrouw.’ Alfons huwde na de oorlog zijn Annie en kijkt
terug op zijn leven als Poolse Nederlander.
Hij
wilde eerst niet verhuizen van Breda naar Terneuzen en zij wel. Toen ze eenmaal
in het vlakke Zeeuws-Vlaamse land woonden kreeg zij heimwee en hij niet. Alfons
Raichert (nu 79) en Annie Raichert-Deleij (78) keerden terug naar Breda, want
het hart wint het nog heel vaak. Hij, de Poolse oud-strijder, ging naar het
Woningnoodbureau om zich in te laten schrijven voor een huis. „Ik kwam bij een
vrouw, zo’n ouwe vrijster, een stomme trut en vertelde mijn verhaal. Ze zat op
zo’n draaistoel, draaide zich om en zei met haar rug naar me toe ‘U krijgt geen
woning van mij’. Ik werd woest door de manier waarop ze dat vertelde, het was zo
onbeschoft. Ik liep naar haar stoel en draaide die met een ruk om, maar ze had
inmiddels al op een belletje gedrukt en er kwamen twee mannen binnen. Die
begrepen me beter. Maar de volgende dag kreeg ik van haar wel een kaartje in de
bus. Ik moest Breda binnen 48 uur verlaten, anders zou de politie me komen
halen. Het leek wel een emmer koud water. Daar stond ik dan als oud-bevrijder
van Breda.“
Het is zeer kort daarna toch nog goed gekomen via interventie van andere
Bredanaars. „Kreeg ik weer een kaartje, we kregen een urgentieverklaring voor
een woning“, zegt Alfons Raichert. Het speelde zich af in het begin van de jaren
vijftig, maar het was niet het enige incident waarbij hij moest merken dat hij
dan weliswaar bevrijder van de stad was, maar ook buitenlander. „Ik zeg altijd,
wij waren qua behandeling de eerste Turken.“
Alfons en Annie Raichert maken ook nu nog een zeer montere indruk, ze tennissen
beiden, zij het zelden tegen elkaar (‘dat wordt ruzie maken’), bridgen en Annie
heeft een huid waar Joan Collins jaloers op zou zijn. „Ja, ook drie face-lifts“,
grapt ze. Het leven is niet altijd grappig geweest. Het levensverhaal van Alfons
Raichert is een van die ongelooflijke verhalen die je veel meer hoort van Poolse
veteranen. Herinneringen, herinneringen. „Ik heb er genoeg van. Als je
terugkijkt, denk je: hoe heb je het kunnen overleven?“
Alfons Raichert werd in februari 1925 geboren in Bytkow, een Pools dorp in de
buurt van Katowice. Zijn vader werd opgepakt door de Duitsers, kort na de Duitse
inval in 1939 en kwam in Buchenwald terecht. Daar overleed hij enkele maanden
later. „We kwamen er achter toen mijn moeder informeerde hoe we in contact
konden komen met mijn vader. Dat was niet meer mogelijk, schreven ze terug. Mijn
vader was overleden. Ik ben in Buchenwald geweest met onze dochter Hella, het
stikte er van de jonge neo-nazi’s en er was permanent politiecontrole nodig. Het
was ook heel emotioneel. Mijn vader is gewoon vermoord door de Moffen. De Poolse
gevangenen moesten in de winter buiten in een ijzeren kooi staan. Iedere dag
overleden er wel een paar. Gruwelijk. Als je dat alles ziet ben ik blij dat ik
dat nooit heb hoeven meemaken.“
Als 14/15-jarige knaap moest hij gedwongen bij een boer in Duitsland werken.
Zijn moeder overleed in 1941, maar van de boer mocht hij niet naar huis. Hij
slaagde er in (zonder papieren) naar de woonplaats van zijn moeder te komen. „Ik
heb haar alleen nog maar in de kist gezien.“ Via een vriend van zijn vader
werkte hij als bakkersknecht in Katowice, maar werd zonder papieren bij een
razzia aangehouden door de Duitsers. Samen met nog een paar honderd andere jonge
Polen moest Alfons Raichert naar Frankrijk om daar gedwongen aan de Atlantikwall,
de Duitse verdedigingslinie, te werken. „Wat wij overdag opbouwden bombardeerden
de Engelsen de volgende dag kapot. We merkten eigenlijk al in de nacht vóór de
invasie van 6 juni 1944 dat er iets aan de hand was, want de Moffen knepen er
tussenuit. De invasie, dat maak je maar één keer in je leven mee. Er lagen
zoveel schepen, het leek wel een stad op zee. Britse commando’s kwamen het eerst
bij ons en later ook Poolse troepen van de 1e Poolse Pantserdivisie. Zij vroegen
of we vrijwilliger wilden worden. Ja, wie van ons Polen wilde dat niet op dat
moment? Als je geweten had wat er nog stond te gebeuren had je het misschien
niet gedaan.“ Zegt hij nu.
De 19-jarige Alfons Raichert bereikte zo met generaal Maczek Breda en nam deel
aan de bevrijding van de stad. En daar was Annie. Hij zag haar op 29 oktober
1944 staan bij de winkel van Jaak van Wijck op de Ginnekenweg tussen al het volk
dat was uitgelopen. „Wat een mooie meid, dacht ik, wat een leuke vrouw.“ „Hoor
je hoe zacht hij het nu zegt“, lacht Annie in 2004. Alfons en zijn Poolse maat
keken haar na toen ze in gezelschap van een jonge man wegliep en een huisdeur
binnenging, maar hij zag niet precies welke deur. Hij moest ’s avonds wacht
lopen bij de winkel van Jaak van Wijck. „Ik heb daar nog een gat gegraven, weet
ik wel. Maar ik wilde dat leuke meisje zien. Ik zei tegen mijn maat: wat doen
wij hier? Voor veiligheid zorgen toch? Kom we gaan kijken of er toevallig nog
Moffen in die huizen zitten. Wij aanbellen en het tweede huis was het al raak.
Alleen, het barstte er van de Polen.“ Dat werd de moeder van Annie (‘ik herkende
hem aan zijn sjaaltje’) te gortig en zij stuurde haar dochter naar de keulen.
Met haar broer en Alfons achter zich aan. Het werd, zeggen ze nu, een gesprek
met handen en voeten, in gebroken Duits. Liefde op het eerste gezicht. Ze had de
juiste nog niet gevonden, antwoordde Annie op zijn vraag of ze verkering had. En
die jongeman, dat was haar broer. Alfons Raichert: „Ik zei: ik ben de juiste.“
Het was het begin van iets moois dat al 56 jaar bestaat.
Maar Raichert was soldaat en alleen het zuiden was nog maar bevrijd. Op 31
december 1944 moest hij op patrouille bij Sprang-Capelle, werd overgevaren naar
het gebied waar de Duitsers zaten. Raichert liep met de Bren, een zware
mitrailleur, als laatste in de rij van 12 Poolse militairen. „Ineens voelde ik
een enorme klap. Het was een landmijn, zo een die aan een touw zat en opsprong
voor-ie ontplofte. Zo maakte de mijn meer slachtoffers. Ik heb mezelf verbonden
en ben naar het water gekropen, waar de andere jongens me zochten en in een boot
gooiden. Ik ben geloof ik eerst in Tilburg wakker geworden en later op de
operatietafel in Turnhout.“ Alfons Raichert was zwaargewond. Het was in de tijd
dat de penicilline net was uitgevonden en hij denkt dat dat medicijn hem
misschien uiteindelijk gered heeft. Hij werd overgebracht naar Engeland, lag
daar vele maanden lang in het ziekenhuis en in revalidatiecentra in Nottingham
en Derby. Kreeg daar enorm veel respect voor de jonge Engelse meisjes en vrouwen
die voor niets in het ziekenhuis werkten. „In zo’n ziekenhuis zie je de ellende
pas goed“, zit in zijn herinnering.
Al die tijd was er contact met Annie, die nog in haar ouderlijke huis in Breda
woonde. Begin 1947 was Alfons Raichert voldoende hersteld om (broodmager) naar
Breda te reizen. Hij kreeg inwoning bij de vader en moeder van Annie Deleij.
Polen was een gepasseerd station, daar zaten de communisten, daar kon hij niet
naar toe. Maar in Nederland kon je je, ook als oud-bevrijder, niet zomaar
vestigen. Je moest eens in de zoveel maanden naar de Vreemdelingenpolitie en je
moest een werkvergunning hebben. En het was vlak na de oorlog in een tijd dat er
nog vaak heel benepen werd gedacht. Dat het katholicisme ook maatschappelijk de
belangrijkste factor was. Merkten Annie en Alfons.
Zijn eerste baantje zou bij de HKI zijn, waar al veel Polen werkten. Een paar
dagen voor hij moest beginnen, kreeg hij te horen dat hij niet hoefde te komen.
„Dat was een enorme teleurstelling, het was mijn eerste werkkring. Ik dacht, wat
is dat nou? Later vond een broer van Annie uit dat het voor de HKI
onaanvaardbaar was geweest dat wij ongetrouwd onder één dak woonden. Idioterie.“
Annie nu: „En dan zeggen wij wat van islamieten.“
Raichert ging naar de Etna, waar ook al veel Polen werkten en waar ze zeker niet
het fijnste werk kregen. „Ik zeg het altijd zo, wij waren de eerste Turken van
Nederland.“ Hij kwam bij de haardenmakerij te werken, moest Samotstenen naar
boven en beneden brengen. En hoorde samen met zijn licht aangebrande (Poolse)
maat op een kwaad moment iemand ‘rot-Polen’ roepen. Later herhaalde zich dat nog
een paar keer en zijn ze gaan opletten uit welke hoek het kwam. „Het was een
jonge man in de slijperij. Mijn maat ging naar hem toe en sloeg hem in één keer
in zijn gezicht. Nou ja de baas erbij natuurlijk, die van omstanders hoorde wat
er gebeurd was en die zei alleen maar: ‘Dat heeft-ie goed gedaan’ en verder
niets. We hebben daar nooit meer rot-Polen gehoord.“ Hij bleef niet lang bij de
Etna, want hij kon elders drie gulden meer gaan verdienen per week. Raichert
trouwde met zijn Annie op z’n 23e. Het jonge echtpaar kreeg na veel moeite
inwoning in een huis in de Zonstraat, maar daar boterde het niet met de
hoofdhuurder. Louter en alleen om het geld, ontdekten zij later.
„Op een avond kwam ik thuis van mijn werk en kreeg ik plotseling een stomp
midden in mijn gezicht. Het is goed dat ik toen heel rustig van aard was. Bij de
politie zei een rechercheur: Je moet terugslaan. Je moet hem niet doodslaan,
maar wel flink hard raken. De huisbaas liet zich dagen achtereen niet zien, die
was niet gek. Bij ons vertrek naar Terneuzen stond hij te huilen. Het ging hem
alleen om de centen.“
Terneuzen was een tussenstation, het echtpaar kwam verblijd met een van de drie
kinderen terug naar Breda en kwam in het Heuvelkwartier terecht. „Daar hebben we
heel fijn gewoond, de kinderen zeggen dat nog wel eens.“ Molenschot werd zijn
nieuwe werkgever. Daar vroeg Raichert opslag en kreeg precies één cent. „Ik was
woest en zag aan de kop van mijn chef dat hij het nog leuk vond ook. Ik heb
onmiddellijk ontslag genomen. Annie zei tegen de mensen die daar van opkeken:
‘Hij weet wat-ie doet’. Ik lijk misschien wel iemand over wie je heen kunt
lopen, maar zo is het niet.“ Het bedrijf Pieter Stapel in Oosterhout werd
uiteindelijk 23 jaar lang zijn laatste werkgever. Raichert werd daar
productiechef en kreeg wat problemen bij de beoordeling van werknemers, die
opmerking maakten over het feit dat hij een Pool was. Wat hij zich wel in zijn
hoofd haalde. Zijn directeur steunde hem volledig.
Annie Raichert: „Vroeger hoorde je wel als er iemand iets had uitgevreten: Ja,
ja, die Polen, net als nu met de Turken en Marokkanen. Maar echt gediscrimineerd
is-ie nooit.“
Alfons: „Met Polen is het hetzelfde als met Nederlanders. Je hebt goede en je
hebt minder goede. De meeste Polen in Breda zeggen alleen maar Loof den Heer,
zeggen niets dan goeds over het leven. Maar ik weet zeker dat iedereen bepaalde
dingen heeft meegemaakt. Je bent een buitenlander tenslotte. Terugkijkend moet
ik zeggen dat het me ondanks alles bevallen is in Breda. Alles wat we bereikt
hebben, daar hebben we zelf voor gezorgd. In onze tijd was er niets mogelijk,
geen buurthuizen, geen Pools huis, niets.“
Annie: „Hij is een goede Hollander, hij kan lekker kankeren.“
De Gelderlander
Kamer: lintje voor Poolse generaal
Gepubliceerd op: 8 december 2004
Door JOOST AERTS
DEN HAAG - "Het lijkt me onverstandig
af te wijken van beleid dat al vijftig jaar staat", zei minister Kamp van
Defensie twee weken geleden tegen Kamerlid en partijgenoot Van Baalen over diens
wens alsnog een lintje uit te reiken aan de Poolse oorlogsveteraan generaal
Stanislaw Sosabowski.
Niet doen, want je weet niet wat je zo nog allemaal
losmaakt, luidde Kamps oordeel. Hooguit wil de minister de suggestie van de LPF
overnemen om de militaire eenheid (Poolse 6e Air Assault brigade) die tijdens de
Tweede Wereldoorlog onder bevel van Sosabowski heldhaftig streed in de Slag om
Arnhem tijdens de operatie Market Garden te eren met een speciaal kravat aan het
vaandel.
VVD'er Van Baalen was niet overtuigd. PvdA-Kamerlid
Timmermans sprak van een halsstarrige, bureaucratische houding. Hun Kamermotie
waarin de regering wordt opgeroepen het besluit uit 1952 om geen Militaire
Willemsorde toe te kennen aan Sosabowski alsnog te herroepen, is gisteren door
de Tweede Kamer unaniem gesteund.
Kamp zal het kapittel, dat oordeelt over het
toekennen van deze hoge militaire onderscheiding, daarom alsnog om advies
vragen. Dat zal hij naar alle waarschijnlijkheid opvolgen.
Daarnaast vraagt de Kamer op aangeven van VVD en LPF
de minister om in mei tijdens de 60ste herdenking van de bevrijding ook andere
geallieerde soldaten die een rol hebben gespeeld bij de bevrijding van Nederland
een blijk van waardering te geven.
| Laatst bijgewerkt 31-12-2008 |
|