| Polen vlak na de Tweede Wereldoorlog. |
|
Vereniging 1e Poolse Pantserdivisie Nederland |
| |
Polen vlak na de Tweede
Wereldoorlog.
In
september 1944 werd Chelm als eerste Poolse stad door sovjettroepen
bevrijd. Het in Moskou opgerichte Poolse Comité van Nationale Bevrijding (Polski
Komitet Wyzwolenia Narodowego PKWN) kreeg de leiding over de bevrijde
gebieden. In een radiomanifest vanuit Moskou had de PKWN zich op 22 juli
uitgeroepen tot enig wettig gezag en betwistte daarmee openlijk de Poolse
regering in ballingshap in Londen onder premier Stanislaw Mikolajczyk
(1901-1966).
De relaties tussen de Sovjet-Unie en de Poolse regering in
ballingschap waren sterk bekoeld na de ontdekking in Katyn van de massagraven
van 15.000 door het Rode Leger geëxecuteerde Poolse officieren.
Op 27 juli verhuisde het PKWN van Moskou naar Chelm en op 2 augustus naar Lublin. Daar vormde het PKWN samen met de in Polen achtergebleven communisten het Lublin Comité (Komitet Lubelski). Het PKWN had een eigen leger, het Poolse Volksleger (Armia Ludowa), onder bevel van generaal Michal Rola-Zymierski . Op 1 augustus besloot het Poolse verzetsleger (Armia Krajowa) onder generaal Tadeusz Komorowski, bijgenaamd Bór (1895-1966) in Warschau tot een opstand tegen de Duitsers om daarmee de bevrijding van de stad te bespoedigen. Premier Mikolajczyk reisde vergeefs naar Moskou om hulp. Sovjetleider Jozef Stalin (1879-1953) beval de tot vlak voor Warschau genaderde Sovjetlegers te wachten aan de overkant van de Weichsel. In de strijd om Warschau sneuvelden 20.000 verzetsstrijders, 200.000 burgers werden gedood door massa-executies, de overlevenden werden gedeporteerd: 550.000 naar concentratiekampen, 150.000 verplicht tewerkgesteld in Duitsland. Tot slot gaf het Duitse opperbevel opdracht tot totale vernietiging van de stad.
Op 3 mei
was heel Polen bevrijd en gaven de Duitse legers zich over. Na de bevrijding
werden de Poolse grenzen herzien zoals Franklin D. Roosevelt (1882-1945),
Winston Churchill (1874-1965) en Stalin in 1943 in Teheran hadden
afgesproken. De grenzen schoven op naar het westen tot aan de rivieren Oder en
Neisse. Agrarisch Oost-Polen (180.000 km2) ging tot de Sovjet-Unie behoren. De
Curzonlinie van 1920 werd oostgrens. Voormalige Duitse gebieden (100.000 km2)
werden geannexeerd . De vrije stad Danzig werd het Poolse Gdansk, Stettin (West-Pruisen)
werd Szczecin. In het zuiden werd het industriegebied Silezië met Wroclaw (Breslau)
Pools. Als gevolg van de grenswijzigingen moesten miljoenen Polen, Duitsers en
Oekraïeners verhuizen; alleen al 9,3 miljoen Duitsers werden uit de
geannexeerde gebieden verdreven. In januari vormde het Lublin Comité in Warschau
de Voorlopige Regering onder leiding van Wladyslaw Gomulka (1905-1982),
eerste secretaris van de Poolse Communistische Partij PPR. De regering ging over
tot het oprichten van arbeidersraden (sovjets) en een ordestrijdkracht (milicja).
Op de
conferentie van Jalta (4-11.2) drongen de VS en Groot-Brittannië aan op
regeringsdeelname van de Poolse
regering uit Londen. Daarop werd eind juni in
Warschau een Voorlopige Regering van Nationale Eenheid gevormd, waarvan
Mikolajczyk als vice-premier en minister van Landbouw deel uitmaakte. Op een
totaal van elf ministers waren er zeven communistisch. Deze regering werd door
de VS en Groot-Brittannië erkend. President werd de stalinist Boleslaw Bierut
(1892-1956), premier de socialist Edward Osóbka-Morawski (1909-1997). Na
de bevrijding was Polen geruïneerd. Zes tot zeven van de 35 miljoen inwoners
hadden het leven verloren. Hieronder bevonden zich 3 miljoen Joden. Van de
228.000 Poolse militairen in het Britse leger keerden er 55.000 terug naar hun
land. De wegblijvers verloren hun Poolse nationaliteit. De Poolse economie was
geruïneerd, fabrieken en infrastructuur waren grotendeels verwoest. De Poolse
bisschoppen waren bereid met de regering samen te werken maar het Vaticaan
bleef de regering in ballingschap erkennen, was tegen de nieuwe westgrens en
weigerde de voormalige Duitse bisdommen te integreren
in de Poolse kerk. Daarop
verbrak de regering het concordaat met Rome. Ex-leden van het verzetsleger
vormden de organisatie Wyzwolenie i Niepodleglosc (Vrijheid en
Onafhankelijkheid). Zij begonnen een guerilla tegen de communisten in de
gebieden rond Lublin en Bialystok.
De Grenzen.
Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog bepaalde
het Verdrag van Versailles dat Duitsland kleine Nedersilezische gebieden moest
afstaan aan Polen, terwijl Oppersilezië onderworpen werd aan een
volksraadpleging. De bevolking koos in meerderheid voor Duitsland, maar
Oppersilezië werd op last van de entente toch verdeeld tussen Duitsland en
Polen: industriesteden als Katowice (Kattowitz)
kwamen aan Polen. Oostenrijks-Silezië kwam grotendeels aan de nieuwe staat
Tsjecho-Slowakije, terwijl Tesin (Duits:
Teschen, Pools: Cieszyn)
na een volksraadpleging werd verdeeld tussen Tsjechoslowakije en Polen. Deze
stad bleef nog lang een twistappel tussen Tsjechoslowakije en Polen. Sinds 1992
behoort deze
gedeelde stad tot Tsjechië en Polen.
Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog werd de
Oder-Neissegrens als nieuwe Pools-Duitse grens vastgesteld: vanaf nu was geheel
Oppersilezië Pools en bovendien het grootste deel van Nedersilezië (vanaf de
Neisse). De Duitsers vluchtten of werden
verdreven. De bevolkingssamenstelling
van Silezië is daarmee grondig veranderd: tot 1945 was Nedersilezië vrijwel
geheel Duits en had Oppersilezië een gemengde bevolking. Nu woont er alleen rond
Opole (Duits: Oppeln) in
Oppersilezië nog een kleine Duitse minderheid. De Polen kwamen grotendeels uit
gebieden die door de Sovjetunie werden geannexeerd: zo komen de voorouders van
de inwoners van Wroclaw voor een groot deel uit Lviv.Het enige gedeelte van
Silezië dat in 1945 Duits is gebleven, is te vinden in de deelstaten Brandenburg
en
Saksen: de steden Görlitz, Niesky en
Hoyerswerda zijn vanouds Silezisch. Görlitz is een gedeelte stad: de Neisse
scheidt de stad in een Duits en een Pools deel (Zgorzelec).
En dit was het gevolg.
Dit veranderde ook de
situatie van de Poolse gevangenen in Rusland: ze waren plotseling weer vrij.
Voor Rusland was dit in twee opzichten voordelig: ze hoefden deze mensen niet
meer te onderhouden èn de Polen konden samen met de andere geallieerden vechten
tegen de grote vijand Duitsland.
In die tijd werd door Stalin, die in 1941 premier werd, maar ook hoofd van de
verdedigingsraad en opperbevelhebber, in samenwerking met de geallieerden
begonnen aan de verplaatsing van ruim 115 duizend Polen via Iran naar landen als
Palestina, Noord- en Zuid-Afrika. De mensen werden eerst verzameld op het
schiereiland Krasnowodsk in de Kaspische Zee en van daar uit verscheept naar de
Iraanse havenplaats Pahlavi. In het begin zouden alleen Poolse soldaten naar
Iran gestuurd worden, maar omdat de situatie voor het Poolse volk in Rusland
nijpend was, werd besloten ook hen weg te sturen. Aanvankelijk zouden 15.000
vrouwen, kinderen en ouderen naar Iran gaan. De eerste groep, inclusief 2900
Poolse soldaten, kwam in maart 1942 op vier Russische schepen aan in Pahlavi.
Deze groep, die het moest stellen zonder hygiënische en medische voorzieningen,
m.n. ter voorkoming van besmettelijke ziekten, werd direct doorgestuurd naar
Teheran.
In de maand daarop volgden
nog eens 12.241 immigranten (1549 mannen, 6090 vrouwen, 3626 kinderen en 976
vrouwen die in het leger in dienst waren). Er waren veel problemen met het
onderbrengen van al deze mensen. Er waren onvoldoende voorzieningen getroffen,
zodat de immigranten zelfs in overheidsgebouwen, zoals een technische school en
een hangar werden ondergebracht. Gaandeweg liep alles uit de hand, vooral toen
er ook nog een groep jonge Poolse mensen bijkwam. Uit andere bronnen weten we
dat veel Poolse kinderen, die vanuit Rusland via Iran naar India werden
gestuurd, in Teheran en Mashhad terechtkwamen. In maart 1942 zijn 250 kinderen
en hun ouders met acht bussen naar Isfahan in Iran overgebracht.
In die tijd stonden de media onder strenge censuur van de geallieerden. Zo
hielden ze gegevens over aantallen Poolse vluchtelingen uit de publiciteit. Ook
deden ze een beroep op het medeleven van de Iraanse bevolking, in de vorm van
financiële en andere hulp, nog voordat het geld, dat speciaal hiervoor bestemd
was, op was.
Ondanks de economische ontreddering van het land (in 1942 brak er een
hongeropstand uit), werden de vluchtelingen ruimhartig en liefdevol opgevangen
door de bevolking. Het opvangen van zulke enorme aantallen mensen had grote
invloed op de Iraanse economie, die snel achteruit ging.
Geen wonder was het dan
ook dat de hygiënische omstandigheden te wensen overlieten. Zo'n tweeduizend
mensen leden aan ziekten als tyfus, difterie en tbc.
Het was de bedoeling
dat een groot deel van de binnenkomende vluchtelingen zou doorreizen naar andere
landen, maar omdat de geallieerden inmiddels hun hoofd bij andere zaken hadden,
bleven veel Polen "hangen" in Iran. In september 1942 waren er bijna 26.200
Polen in Iran, waarvan er duizend naar Afrika werden gestuurd. In die tijd
kondigde de Poolse ambassade aan, dat er vanaf augustus 3000 Polen per dag in
Iran zouden aankomen. Veel van deze mensen leden door ondervoeding aan allerlei
maag- en darmaandoeningen. Veel kinderen hadden diarree. In 1943 heeft Engeland
733 Poolse weeskinderen naar Nieuw Zeeland gestuurd.
Tot eind 1943 kwamen er regelmatig transporten met Poolse vluchtelingen naar
Iran. In totaal deden drie- tot vierhonderdduizend Polen Iran aan. De
geallieerden hebben zich niet gehouden aan hun afspraak met Iran over het
doorsturen van vluchtelingen naar andere landen door allerlei verwikkelingen,
waaronder het probleem van de besmettelijke ziektes.Na de oorlog bleef een deel
van deze mensen wonen in Iran, maar ook in Afrika, Palestina (daar vooral joodse
en Poolse militairen) en Frankrijk.
Dit is het verhaal van de Poolse immigranten.
| Laatst bijgewerkt 11-01-2009 |
|