| De 1e Poolse Pantserdivisie vanaf de bevrijding van Moerdijk tot de verovering van Wilhelmshaven en de bezetting van Duitsland. |
|
Vereniging 1e Poolse Pantserdivisie Nederland |
| |
De 1e Poolse Pantserdivisie vanaf de bevrijding van Moerdijk tot de verovering van Wilhelmshaven en de bezetting van Duitsland
Door Franjo Bogdanowicz (zoon van Oud-strijder)
Toen de 1e Poolse Pantserdivisie op 9 november 1944 Moerdijk had bevrijd, waren alle Duitsers over de Maas teruggedreven. Ter bescherming van Noord-Brabant tegen Duitse infiltraties uit het noorden, bleven enkel het 18e Canadese Pantserregiment, de 1e Poolse Pantserdivisie en de 4e Canadese Pantserdivisie achter.
De divisie gebruikte deze tijd voor het doen van herstelwerkzaamheden, de verliezen aan te vullen, te herscholen, rust te nemen. De dienst bestond uit het wachtlopen aan de Maasoever. De militairen werden ingekwartierd bij de burgerbevolking in Breda en de omliggende steden en dorpen, hier zouden de hechte relaties ontstaan tussen de Nederlanders en de Polen.
Een opleving van hevige gevechten zou in de periode 19 december 1944 tot 27 januari 1945 plaatsvinden in de gevechten om een Duits bruggenhoofd in de Overdiepse polder. Op 7 april 1945 vertrekt de divisie uit Breda, om ingezet te worden in de strijd bij de bevrijding van Noord-Oost Nederland.
Na 18 april zal de divisie afbuigen richting Duitsland. Als op 4 mei de wapenstilstand wordt afgekondigd staat de divisie op 20 km van Wilhelmshaven. Tot 23 maart 1947 bleef de divisie als bezettingsmacht in noord west Duitsland en werd gedemobiliseerd in februari 1949
Uiteindelijk zal hoogstens 15 % van de 15000 mannen terugkeren naar Polen. Alle anderen verspreidden zich over de rest van de aardbol.
Winter aan de Maas
Nadat de strijd in Brabant, welke was gericht op het vrij krijgen van de haven van Antwerpen, was beëindigd rond 9 november 1944 met de bevrijding van Moerdijk, bleven nog enige eenheden achter om de Maas te bewaken, waaronder de 1e Poolse Pantserdivisie. De divisie kwam tot stilstand en bleef op dezelfde hoogte namelijk op de linker Maas oever met als operationele taak het patrouilleren over een 25 mijl sector, van Moerdijk tot Raamsdonk. Aan de linkerflank van de divisie lag het 18e Canadese Pantserregiment, op de rechterflank, zijn partner in actie uit Normandië, de 4e Canadese Pantserdivisie. Gedurende deze periode stond het grootste deel van de 21ste Legergroep onder commando van veldmaarschalk Montgomery, in voorbereiding voor de volgende fase van operaties, gericht op de vernietiging van alle vijandelijke krachten tussen de Maas en de Rijn. De divisie onderging diverse hergroeperingen. Gedurende deze periode bleven de Polen de enige stabiele factor in de verdedigingslijn aan de Maas. De aan hen toegewezen sector groeide en kromp, afhankelijk van de noodzaak en de beschikbaarheid van troepen voor deze belangrijke taak.
Ter versterking van de verdediging werden tijdelijk diverse Britse en Canadese eenheden toegevoegd aan de divisie. Regelmatig werden onderdelen van de divisie uitgeleend aan de buur eenheden. Binnen de divisie werden onderdelen van de Pantserbrigade bij de Infanteriebrigade uitgeleend. De artillerie bleef paraat in de 2de lijn, de genie hield zich bezig met mijnen ruimen en het herstellen van de wegen en andere verbindingen. Vanwege de stabiele toestand van dit deel van het front, en de grote noodzaak om de verliezen aan te vullen, rust te nemen en te herscholen, werden enkel manschappen die essentieel werden geacht, ingezet in het houden van patrouilles aan de rivieroever. Hun doel was om iedere infiltratie van Duitsers te voorkomen, doch voor de divisie was het belangrijkste doel om alle onderdelen terug te krijgen op volle sterkte en gevechtsgereedheid. Het Hoofdkwartier van brigade en divisie was in Breda gevestigd, de eenheden hadden hun verblijf, waren ingekwartierd in de omliggende dorpen en stadjes. De dienst bestond uit het lopen van patrouilles, wacht lopen en waarnemen waarbij de Binnenlandse Strijdkrachten zeer behulpzaam waren. Verder werd de tijd deels gevuld met rust en training. De Poolse Onafhankelijkheidsdag, 11 november werd gevierd in Breda, in samenwerking met Britse vertegenwoordigers en de lokale bevolking. Op het terrein van de Chassé kazerne werd de heilige mis gecelebreerd en werden door de autoriteiten feestredes gehouden. De vlaggen gingen uit en 2000 soldaten die gemist konden worden van dienst liepen een grote parade.
Op 25 november kwam veldmaarschalk Montgomery naar Breda. Tijdens
een bijeenkomst in het Casino van Breda, kreeg
Montgomery van Maczek, uit naam van de Poolse president het zilveren kruis
behorende bij de Orde Virtuti Militari. Montgomery schonk aan Maczek het DSO
(the Distinguished Service Order), ook andere officieren en manschappen van de
divisie kregen onderscheidingen, waarna diverse toespraken volgden.Op 29
november bezocht generaal Eisenhower, de opperbevelhebber van alle geallieerde
troepen in West Europa, de divisie. Hij inspecteerde op landgoed Anneville nabij
Ulvenhout het 10e Regiment Jagers te Paard en op het Groen-Wit-terrein in
Princenhage het Bataljon Jagers van Podhale. De Diensten en
Bevoorradingseenheden, hadden hun basis in het Administratieve Gebied met zijn
hoofdkwartier in Breda - Ginneken. Hun werk was minder zwaar dan in de
voorgaande fase van de campagne die begon in augustus 1944. Dit kwam door de
korte afstanden en het stationaire karakter van de gevechten die enkel opleefden
in januari gedurende de aanvallen op het Kapelse Veer bruggenhoofd. Gedurende
deze actie, leverde de munitie transport compagnie 435 ton(441977 kg), dat wil
zeggen 2500 granaten aan de frontlijn.
|
|
|
|
|
Ardennenoffensief en Capelse Veer
Tot half december was het relatief rustig, enkel onderbroken door een uitwisseling van artillerie- mortier- en mitrailleurvuur, doch de intensivering van de V1 en V2 campagne begon ernstige problemen voor Antwerpen en de regio te geven. Deze relatief rustige tijd kwam omstreeks 18 december ten einde. Het bombardement verhevigde en de Duitsers begonnen hun patrouillefrequentie te verhogen. Daarnaast boekte het offensief van Maarschalk von Rundstedt in de Ardennen, zijn eerste successen en dat vormde weer een ernstige bedreiging voor Antwerpen en Brussel. Antwerpen waar alle bevoorrading plaatsvond uit Engeland, Brussel wat gold als hoofdkwartier en de uitgaansstad van de bevrijde regio. En van strategisch belang: het volledig afsnijden van het 21e Leger van de rest van de geallieerden. Het Ardennenoffensief van Maarschalk von Rundstedt begon op 16 december.
Dit had ook invloed op de divisie. Op 19 december werd een extra staat van alarm
afgekondigd en op 21 december als gevolg van een hergroepering werd het 4e
Canadese Pantserdivisie in reserve geplaatst in het Korps; hun oorspronkelijke
sector werd overgenomen door de divisie en zo werd deze verlengd tot 50
km. De mogelijkheid van een aanval van luchtlandingstroepen werd overwogen
vanwege de aanwezigheid op de lagere Maasoever van troepen van gen. Student’s
Fallschirmjager corps, die zich aldaar begonnen te verzamelen op het Capelse
Veer( Overdiepse Polder). Van hieruit werd een aanval gevreesd voor een
mogelijke doorstoot op Antwerpen. Om deze reden kreeg de sector, die door de
Divisie bewaakt werd een nieuwe betekenis. Alle regimenten: infanterie,
antitank, antiluchtdoel en delen van de pantser afdeling werden naar de oever
gezonden. Vanaf nu was er een constante barrage van geschut en de noodzaak om de
felle en frequente Duitse patrouilles tegen te gaan. Het grootste deel van de 10e
Gepantserde cavaleriebrigade werd in reserve gehouden om toe te slaan in een
gekozen gebied, geschikt voor een actie, indien de vijand de rivier zou
oversteken. ( In het noorden van Brabant stond 60% van het land vanwege
inundaties onder water. De divisie kreeg versterking van het 1315 Royal Air
Force regiment, de 19e Britse Gemotoriseerde artillerieregiment en
drie batterijen Britse zware artillerie, welke de Canadese sector aan de Maas
overnamen, De Polen gaven hun sector over aan hun linkerburen, het 18e
Canadese pantserwagen regiment. De buurman op rechts was nu het 7e
Verkennings regiment van het II Canadese Legerkorps. De nieuwe 50 km sector liep
nu van Raamsdonk in het westen tot Lithoijen in het oosten.
Links gehouden door de 3e Jagers brigade, m.u.v. van
het 9de Jagersbataljon, maar aangevuld met het RAF regiment en het 1ste
Pantserregiment. en de 2de Regiment Gemotoriserde artillerie. De
rechtse sectordeel werd gevormd door de 10e Gepantserde
Cavaleriebrigade m.u.v. het 24ste Regiment Ulanen en 1ste
Pantserregiment, maar aangevuld met de 9de Jagersbataljon en het 1ste
Regiment Lichte Artillerie Luchtafweer. In reserve stonden het 10e
Regiment Jagers te Paard en 1ste Regiment Gemotoriseerde artillerie
bij Udenhout en Breda. Het 24ste Ulanen werd ter beschikking gesteld
van Gen. Crocker. Het Divisie Hoofdkwartier verhuisde naar Heikant, 3 km ten
zuiden van Den Bosch.Tussen 22 en 26
december werden opnieuw hergroeperingen gedaan, vanwege de nu grote dreiging van
zowel het Ardennen offensief en de veel intensievere Duitse patrouilles die
regelmatig de lijnen penetreerden, als de breedte van de sector welke nu door de
divisie moest worden gecontroleerd.De sector werd verbreed tot de oever van het
Wilhelmina-kanaal en verdeeld in 3 delen:
●
West: 47 British Royal Marine Commandos
●
Midden: de 3e
Brigade Jagers versterkt met een eskadron van het 10e Regiment Jagers
te Paard
●
Oost: 1ste
Regiment Antitank artillerie met een batterij antiluchtdoel wapens
De Genie begon met het plaatsen van mijnenvelden ten zuiden van de Maas en het
ondermijnen van de bruggen voor mogelijke vernietiging.
Het divisie hoofdkwartier werd verplaatst naar Heuneind, 4 km zuid oost van
Tilburg.
De periode tussen 27 en 31 december werd gekenmerkt door frequente uitwisseling van artillerie, mortier en machinegeweervuur. Beide zijden patrouilleerden zeer vaak, vooral in het linkse sectordeel van de 3e Jagersbrigade. De Duitsers ware extra actief vanaf het Kapelse Veer eiland.Tot twee maal werden Poolse patrouilles teruggeslagen. Het onder water gelopen gebied bij de Oude Maas maakte een oversteek hierover bijzonder lastig; waarbij de omstandigheden nog verslechterden met de aanvang van een vorstperiode. De genie kreeg opdracht om een oversteek te bouwen. Op de laatste dag van het jaar deden 2 compagnieën van het 9e Bataljon Jagers van Vlaanderen, ondersteund met mortieren, vlammenwerpers (Wasps) en 3 artillerie regimenten een poging de Duitsers van het eiland te verjagen, ze faalden onder zware verliezen. De Duitsers hadden zich uitstekend in hun verdediging georganiseerd en vochten extreem fel vanuit hun hoge versterkte posities op de dijk bij het veer; de aanvallers kregen geen kans in hun aanvalsroute over een vlakke, met water verzadigde polder, doorsneden met sloten, zonder mogelijkheid van directe steun van tanks.
1945
De zware uitwisseling van geschut bleef aanduren, als ook het lopen van patrouilles van beide kanten Daar Capelse Veer op de route lag die het meest waarschijnlijk was voor een offensief van de vijand en een stevig bruggenhoofd vormde, besloot Gen. Crocker dat de Duitsers er moesten worden verdreven. Op 4 januari gaf hij bevel tot uitvoering van operatieplan Trojan met als doel om te ontdekken hoe de precieze sterkte was van de vijandelijke verdediging en wat de bron was van het artillerievuur in de midden sub sectie. Er zou een rookgordijn gelegd worden op een 13 km breed front, twee door officieren geleidde
patrouilles zouden vooruitgaan met ondersteuning van divisie-en korps artillerie. Operation Trojan begon de volgende dag. Het werd een mislukking. Het rookgordijn werd al snel door de wind weggeblazen en de beide patrouilles stonden nu in het volle zicht van de vijand. De aanval was zelfs niet in staat om op de noordelijke oever te komen en men trok zich met grote verliezen terug. Alhoewel verscheidene machinegeweer en anti tank kanon locaties werden ontdekt, hield de Duitse artillerie zich stil gedurende de operatie, enkel de lokale mortieren deden hun dodelijke werk. Gedurende de volgende twee dagen na een uren durend bombardement van twee regimenten veldartillerie, 4 regimenten medium artillerie en twee stel meerlopige raketmortieren, begon de aanval van het 9e Jagersbataljon net voor zonsopkomst. Bij zonsopkomst stokte de aanval door zwaar Duits tegenvuur en om 18.00 uur was de aanval afgeslagen door de Duitsers.Een hergroepering werd uitgevoerd in de regio: de Polen hielden nu een 15 km. sector (tussen Geertruidenberg en ’t veer op Drongelen)De volgende aanval op het bruggenhoofd begon gedurende de nacht van 13 op 14 januari en werd uitgevoerd door de 47de Royal Marine Commandos, ondersteund met artillerie van Poolse, Canadese en Britse Korps troepen. De oversteek werd door de Genie verzorgd. Ook deze aanval strandde en de Mariniers leden zware verliezen en werden hierna teruggeroepen naar hun oorspronkelijke eenheid. De volgende dag bombardeerden twee Spitfire squadrons het Veer. Uiteindelijk kwam nieuws dat onderdelen van de Duitse parachutisten divisie zich gereed maakten voor een luchtaanval. De 10PSK en een Jagersbataljon werd direct onder de Corpscommandant geplaatst om deze mogelijke crisis tegen te gaan.
Op 26 januari begon een aanval op het Veer met de gehele infanterie brigade van de de 4e Canadese Pantserdivisie, ondersteund met divisie-en korps artillerie. Op de laatste dag van januari na 5 dagen strijd, met hulp van amfibievoertuigen en vlammenwerpers, werd de Duitse voorpost op het Capelse Veer veroverd, echter met vele Canadese slachtoffers en een
enorme hoeveelheid verbruikte artilleriemunitie. De strijd om Kapelse Veer kostte de geallieerden in totaal 450 doden en gewonden, een hoge prijs voor een dijk die uit de modder steekt. Aan Duitse kant wordt het getal op 300-400 man geschat, óók een hoge prijs, zeker als men bedenkt dat later, de Duitse verklaring voor hun hardnekkige verdediging was, dat het bruggenhoofd diende als goede gelegenheid om de jonge onervaren parachutisten met het gevecht vertrouwt te maken.

Als de overwintering aan de Maas ten einde is, telt de Poolse Pantserdivisie 180 doden, 441 gewonden, en 39 vermisten.De operatie om de linkeroever van de Rijn vrij te maken, gepland door maarschalk Montgomery in herfst 1944, startte begin Februari 1945. In de tweede helft van de maand werd de 4e Canadese Tankdivisie verplaatst om in het Reichswald te vechten. De divisie hergroepeerde zich om opnieuw 50 km van de Maasoever te bewaken van Geertruidenberg tot Lith.Maart 1945 bleek een rustige periode. De divisie keerde weer terug naar zijn eerdere 15 km zone, nadat de rechtervleugel was afgelost.De divisie had verlangend toegezien hoe de 21e Legergroep de Rijn overstak. Uiteindelijk kwamen de nieuwe bevelen binnen: de divisie werd toegevoegd bij het 2e Canadese Korps onder Gen. Simonds en moest zich opmaken voor de verhuis naar de omgeving Hengelo; aldaar zou hergroepering plaatsvinden.in NoorD OOst Nederland EN Duitsland 1945
Campagne in Noord Oost Nederland en Duitsland 1945
Op 7
april zette de divisie zich in beweging. Vanaf Breda vertrok de divisie door de
vernietigde Duitse stad Goch, stak bij Rees over de Rijn en arriveerde na een
rit van 250 km op zijn aangewezen startpositie. Het gebied ten zuid oosten van
Hengelo, het uiteindelijke samentrekkingspunt, werd ‘s avonds op 8 april
bereikt. De opdracht was om noordwaarts, richting Emden, aan de monding van de
Ems, op te rukken. De divisie kreeg versterking van het 4e Canadese
middenzware artillerie regiment en een Belgisch Parachutisten regiment (1e
SAS).
Op de linkerflank ging de 2e Canadese infanteriedivisie in de
richting Groningen,daarnaast de 3e Canadese Infanteriedivisie met als
doel Leeuwarden. Op de rechterflank zou de 4de Canadese
Cavaleriedivisie in de richting Wilhelmshaven gaan. Als geheel vormden deze vier
divisies het 2e Canadese legerkorps, de rechter zijde van het 1e
Canadese Leger. Aan de linkerzijde vocht het 1 Canadese Legerkorps, ze hadden de
handen vol aan de bevrijding van de gebieden rond Arnhem, Apeldoorn, Amersfoort.
Het was enkel na enige tijd (tot 19 april) dat het 1e Canadese legerkorps Oost
Nederland afsloot tussen Rijn en IJsselmeer en aldus het 2e Canadese
legerkorps beschermde tegen de nog aanwezige Duitse troepen in Holland. De
aanval stopte op 15 april aan de Afsluitdijk; de Wieringermeerpolder in
Noord-Holland stond onder water; de aanval stokte aan de Grebbelinie op 19
april: 120000 Duitsers en 4.000.000 Nederlanders zaten nu in Holland opgesloten.
Rond
14 april was de divisie beurtelings over de Duitse en de Nederlandse grens
gegaan. De 10e cavaleriebrigade aan de Duitse kant bereidde een
oversteek voor op het Küstenkanal, terwijl de 3e infanteriebrigade
het Nederlandse gebied zuiverde door de Duitsers in noordelijke richting naar
Winschoten te dringen. De Duitse troepen bestonden uit resten van de 6e
en 8e Fallschirm divisie, Flak, Kriegmarine, Luftwaffe Wehrkreis en
Hitlerjugend onderdelen. De laatste fase van gevechten om en nabij de
Nederlandse grens, waarna afgebogen werd in Noordwest Duitsland vonden plaats in
zeer lastig terrein, nog moeilijker begaanbaar dan in het gebied ten noorden van
Gent. Het was zelden geschikt voor tanks, een laag gelegen gebied met delen
onder zeeniveau, met een netwerk van vennen en moerassen, doorsneden met grote
rivieren: de Ems, Leda,en Jumme met hun zijrivieren en kanalen, grote en kleine,
met een netwerk van sluizen en sloten. De wegen lagen uit noodzaak op dijken en
het was onmogelijk deze te verlaten daar rupsbanden en wielen zich direct
vastzogen in de moerassige bodem, welke dan meestal, onder vuur van de vijand
met veel moeite losgetrokken moesten worden. De wijze van verdediging door de
Duitsers was ook anders: men maakte niet langer gebruik van duidelijke
verdedigingslijnen met bolwerken Het gehele terrein werd verdedigd, gebruik
makend van de omstandigheden. De tanks die enkel van de wegen gebruik konden
maken, konden alleen frontaal aanvallen, recht in artillerie en mortiervuur van
de vijand.
Het terrein zat vol met goed gecamoufleerde hinderlagen, vol met mijnen, antitank barrières over de weg, die vol kraters waren. Soms zeer grote, diepe kraters, veroorzaakt door vliegtuigbommen als landmijnen te gebruiken. Dit vertraagde de vooruitgang tot een voortkruipen, noch onderbroken door aanvallen op de steden op de route. Vandaar dat een verslag over de gevechten een herhaling is van stappen: voornamelijk een gemengde gevechtsgroep, met wisselende samenstelling, om uitgeputte troepen enige verlichting te geven, op weg naar Emden en Wilhelmshaven. De resultaten van de divisie in de laatste maand van de oorlog, kan dan ook niet genoemd worden zonder de genie die een grootse prestatie leverde: ruimen van mijnvelden en honderden barricades, het bouwen van dozijnen bruggen en andere oversteken, reparatie van wegen, opvullen van kraters en dat alles meestal in het bereik van vijandelijk vuur. De verliezen van de Polen in deze periode bedroegen 37 officierenen en 567 andere rangen, waarbij 5000 gevangenen werden genomen waarvan 48 officieren.
Ondanks
alle problemen was er toch een snelle voortgang van de aanval, zodat de afstand
tussen de gevechtseenheden en corps en legerdepots werd gerekt tot een breekpunt
m.b.t. verbindingen en transport, wat afhankelijk was van een paar bruikbare
bruggen, Tijdens de laatst fase van de gevechten, werden verschillende POW
kampen bevrijd, zowel van Poolse als andere nationaliteiten. Dit
veroorzaakte moeilijkheden vanwege de noodzakelijk hulp die gegeven moest
worden, niet enkel krijgsgevangenen, ook dwangarbeiders,
concentratiekampgevangenen, en ontheemden. In eerste instantie verliep deze
humanitaire actie nogal chaotisch, daar de hogere bevelsechelons niet voldoende
voorbereid waren voor deze eventualiteit. Het had invloed op de medische
veldhospitalen en hygiëne diensten die een minimale standaard van hygiëne
moesten handhaven, verder moesten transporttroepen meer voedsel en andere
voorraden aanvoeren.
Op 6 april, werd de divisie weer onderdeel van het 2e Canadese Legerkorps, wat op dat ogenblik vocht op de noord oever van de Rijn, (bij Emmerich). De sector aan de Maas werd overgedragen aan de buren en de divisie maakte zich gereed voor de verplaatsing op de volgende dag, naar het concentratiegebied tussen Goor, Neede, Borculo en Lochem welke in 18 uur werd bereikt.
Er werden in oorsprong twee gevechtsgroepen gevormd:
Gevechtsgroep 1
( GG1; GGcavalerie);
co: kolonel A.Grudzinski: 10e Regiment Dragonders, 10e
Regiment Jagers te Paard, m.u.v. een eskadron, 1e regiment Anti-Tank
Artillerie: 3e eskadron, regiment Gemotoriseerde Artillerie: 2
eskadrons.
Doel: Coevorden overnemen van het 1e SAS: Belgisch
parachutistenregiment, daarna verkennen in richting Emmen.
kolonel Antoni Grudzinski
Gevechtsgroep
2 (GG2,
GGjagers)co: kolonel K. Complak:
Bataljon Jagers van Podhale, 10e Regiment Jagers te Paard: 2e
eskadron, 1e regiment Gemotoriseerde Artillerie: 2e batterij, 10e en
11e compagnie genie met Brugpeleton genie Doel: vanuit Diepenheim, het
veroveren van een bruggenhoofd aan het Twentekanaal bij Goor, daarna verkennen
in noordelijke richting.
kolonel Karol Complak
Een gedetailleerd verslag over de dan gevoerde strijd gaat te ver
om dat hier te vermelden. Uiteindelijk zal de samenstelling van de
gevechtsgroepen regelmatig worden gewijzigd alsook het uiteindelijke doel van de
divisie. Dit lag eerst op Emden en werd op 16 april verlegd naar Wilhelmshaven.
Het
door de divisie bevrijde gebied in noordoost Nederland had als oostgrens de
grens met Duitsland, en als westgrens de lijn Goor, Nijverdal, oevorden,
Westerbork, Gieten, Veendam, tot de Dollard, onder Delfzijl. Tussen 8 en 10
april werden door GG2 bevrijd: Goor, Enter, Nijverdal, Wierden en ook Marienberg,
Kloosterhaar, Balderhaar, Hardenberg. Als Coevorden op 9 april is overgenomen
door GG1 wordt Emmen op 10 april bevrijd.In tussentijd zal het 10e
Regiment Jagers te Paard op 10 april Westerbork en 11 april Odoorn bevrijden. De
Dragonders bevrijdden in de periode 11 tot 13 april Borger, Buinen, Gassselte,
Gieten. Terwijl in dezelfde periode Veendam en Muntendam werden bevrijd. De GG2
zal rond 11 april Ter Apel, Musselkanaal, Mussel en Stadskanaal bevrijden. Op 11
april begon de Genie met de bruggenbouw bij Haren als voorbereiding voor de
oversteek naar Duitsland. Als op 13-14 april de brug gereed is gaan de eerste
gevechtsafdelingen in de richting van het Küstenkanaal. Op 12 april vertrok een
gevechtsgroep van 8e Regiment Jagers van Brabant, 2e
Pantserregiment en 1e SAS vanuit Bourtange met als doel de bruggen
bij Weener en Rhede te veroveren, en werd tegengehouden bij Vlagtwedde. Tussen
12 en 15 april zijn Bourtange, Vlagtwedde bevrijd door GG1; Wedde Blijham
Winschoten door GG2.Tussen 13 en 15 april zuiverde het 10e Regiment
Bereden Jagers de driehoek Ter Apel - Haren - Bourtange.
Het Bataljon Jagers van Podhale was op 13 april bij Onstwedde, Alteveer, Nieuwe
Pekela; op 14 april bij Oude Pekela en Veendam, later zullen Muntendam,
Noordbroek, Siddeburen, Oudewagen, Wagenborgen, Meede, Westerlee Heiligerlee,
Midwolda, Oostwold en op 16 april Woldendorp worden bevrijd; tussen 15-17 april
Nieuwolda, Noordhoek en Siddeburen, waarna de Dollard werd bereikt.De
verkenningsgroep van GGjagers meldde op 15 april, 18.52 dat de Noordzee was
bereikt aan de Dollard, op 4 km van de Duitse grens. Op 18 april namen de
Canadezen de stellingen over van de GGjagers, die via Ter Wisch, Haren, Lathen
naar regio Dörpen verhuizden.Op 16-18 april veroverden de Dragonders samen met
GG1 Heede, Borsum en Rhede (Duitsland).
Stalag VI c
De
burgerbevolking bij Ter Apel sprak over een Pools krijgsgevangen-kamp bij
Oberlangen. Lt Kol Koszutski, de commandant van het 2e
Pantserregiment besloot om met een klein detachement op onderzoek te gaan. Tot
hun verrassing en vreugde, ontdekte ze dat de gevangenen 1750 vrouwen waren,
leden van het Thuis Leger en deelnemers van de opstand van Warschau. De
onverwachtse ontmoeting werd zeer emotioneel toen de Poolse vlag werd gehesen en
de commandant van het kamp Luitenant Jadwiga Milewska het officieel rapport
presenteerde. Vanaf dit ogenblik kwamen de vrouwen en kinderen onder de hoede
van de divisie.
Col.Stanislaw Kozutski inspecteert een bataljon van vrouwen soldaten naar de
bevrijding.
In de avond van 18 april veroverde GG1 Rhede na zeer zware
gevechten waarbij een Duitse marine-infanteriebataljon volledig werd vernietigd.
Vanaf die avond zouden de acties van de 10e brigade in de richting
Lathen-Papenburg invloed hebben op de gehele divisie. De verovering van Rhede
beëindigde de fase van het afsnijden van Duitse troepen in Nederland van
Duitsland zelf. Dit gaf, dat de divisie zich volledig kon concentreren op acties
in Duits gebied, op de oostzijde van de Ems.De belangrijkste acties op 18/19
april waren het forceren van een overgang op het Küstenkanaal. Nadat een
eerste oversteek op 14 april mislukte, vertraagde Gen Maczek de actie, zodat en
voldoende vuurkracht was geconcentreerd, om te kunnen slagen, ten koste van zo
min mogelijke hoeveelheid slachtoffers. Een eskadron van het verkenningsregiment
zuiverde het gebied bij Walchum en Heede. De 10e brigade
hergroepeerde zich ondertussen in voorbereiding van de aanval op het Küstenkanal,
welke een der belangrijkste operaties was in deze gevechtsfase.
De aanval begon op 19 april om 10.30 met een verwoestend
bombardement van artillerie en luchtmacht. De 10e Brigade ( 1e
Pantserregiment en 24e Regiment Ulanen, 9e Bataljon Jagers
van Vlaanderen en het Bataljon Jagers van Podhale, 1e Zelfstandige
Eskadron zware machinegeweren, 10e compagnie Genie, een peloton van
11 compagnie GGD en een eskadron Crocodile tanks) begon hierna met de aanval. De
Jagers van het 9e staken over, onder een kort artilleriebombardement,
gesteund door een vuurspuwende aanval van de Crocodiles.
Ondanks dat een deel
van de boten werd vernietigd door mortier en artillerievuur bereikten ze de
overkant. De door de Duitsers gevreesde Typhoons maakten een goed gebruik van
hun raketten, waarbij ze de oversteek steunden en zo de verdediging onderdrukte,
die eerder de oversteek had tegengehouden. Nadat de Jagers de overkant hadden
bereikt, ontplooide ze het bruggenhoofd. De 10e genie begon
onmiddellijk met de bouw van een brug, welke in recordtijd was voltooid, zodat
de tanks dezelfde dag over konden steken. Diezelfde avond nog veroverde een
gevechtseenheid samengesteld uit 1e Tankregiment, twee compagnieën
Podhalanen, en een peloton Crocs de bosrand die een basis zouden vormen voor de
aanval op Aschendorf de volgende dag. Op 20 april, in de avond valt Aschendorf,
en ook Nenndorf en Tunxdorf. De 10e brigade (Bataljon Jagers van Podhale met 24e
regiment Ulanen) zitten tegen de zuidelijke buitenwijk van Papenburg; het 1e
Pantserregiment met het 9e Bataljon Jagers van Vlaanderen houdt
schoonmaak in het gebied Vollener-Fehn en 24e Regiment Ulanen bij
Grosse Walderfelde. Het 10e Regiment Jagers te Paard, samen met 8e
Bataljon van Brabant beveiligt het gebied
Küstenkanaal-Splittingkanaal-Bourgerwaldkanaal. Op 22 april is de 10e
Brigadegroep in Ihrhove, Irhen, Kollinghorst-Bakemoor, dezelfde dag zal GG2, nu
nog bestaand uit 10e Regiment Dragonders en 2e
Pantserregiment samenkomen bij Ter Apel en naar Duitsland gaan om zich bij de 10e
brigadegevechtsgroep te voegen.
De doelstelling voor de 10e Brigade voor de volgende
dag was om in de vork van de rivieren Ems en Leda het gebied te zuiveren van de
vijand en te verkennen voor mogelijke oversteekpunten. De hele regio bij de Leda
was een nog moeilijker operationeel gebied. De nabijheid van de zee maakte dat
het getij invloed had op de waterstand van Leda en Jume, wat het geheel
compliceerde. De genie o.l.v. lt col Dorantt zorgden voor een goede voortgang en
de troepen gaven blijk van slimheid om zo de obstakels te overkomen, dat de
voortgang der eenheden doorging.22-28 april volgde de verovering van stad en
omgeving Potshausen na een bijzonder zware strijd.Heiselberg, Scharrel, Hollen
en Ramsloh Barsel werden genomen en op 30 april viel de lijn Bokelesch tot het
Elisabeth-Fehn kanaal; Loga en Loga-Birnum; Brinkumen Brunn; Stickhausen-Dettern
Tussen 30 april en 3 mei werden Nomoor en Filsum, Remels, Grossander veroverd.Op
3 mei Borkel, Moorburg, Westerstede, Felde, Halsbeck. De 4e mei was
de laatste dag van gevechten in Noord-Duitsland.
De Jagersbrigadegroep opende de weg van Apen naar Westerstede, de 10e
Brigadegroep kreeg te maken met hevige Duitse weerstand ten noordwesten van
Halsbeck wat in de verdedigingsring van Wilhelmshaven lag. Een eerste poging om
met tanks door de verdediging te stoten werd gestopt om de artillerie eenheden
kans te geven zich op te stellen. De 10e Bereden Jagers samen met een
compagnie 8e Jagers verkenden ten noorden van Halsbeck, maar ze
stopten bij Astederfelde door toedoen van hevige Duitse tegenstand rond de
ruines.
9e batajlon Jagers van Vlaanderen
Om 22.15 uur kreeg de divisie de order om alle aanvallende
operaties te stoppen. De wapens mochten niet meer vuren om 8.00 uur de volgende
dag, daar dan de Duitse capitulatie van de 21e Legergroep frontlijn
zou plaatsvinden. Gedurende de gehele nacht bleef de artillerie vuren, doch om
7.59 uur hielden de kanonnen stil. Alle militaire operaties stopten. De Duitse
verdediging trok zich terug op het Jadekanaal. De Jagersbrigade ging vooruit op
de lijn Apen-Westerloy-Westerstede als divisionele reserve.
De overgave van de Duitse troepen in Ostfriesland vond plaats op het
hoofdkwartier van het II Canadian Corps te Bad Zwischenahn. Daar het doel
Wilhelmshaven was, kreeg de divisie deze grote Duitse marinebasis als
bezettingsgebied. De intocht van de divisie
vond plaats op 6 mei 1945. Onder leiding van kol. Grudzinski trokken het 2e
Pantserregiment en het 8e Bataljon Jagers van Brabant de stad in
alwaar de formele overgave plaatsvond. Wilhelmshaven hing vol met witte lakens.
Geen der andere regimenten kreeg toegang tot de havenplaats. Na de intocht en
formele overgave van de stad was de buit aan materiaal groot:3 kruisers:
Prinz Eugen, Nürenberg en de beschadigde Köln, een commando schip: de
Nyassa, 18 U-boten, 205 kleinere schepen, 18 fortificatie kanonnen, 159 stuks
artillerie, 560 zware en 370 lichte machinegeweren, 40.000 geweren, 280.000
stuks art granaten, 64.000.000 granaten voor handwapens, 23.000 handgranaten,
vele voorraden mijnen en torpedo’s als ook voorraden voldoende om 50.000
militairen gedurende 3 maanden te voeden. als ook kelders vol Campagne en
cognac.In totaal gaven zich over: 2 admiraals, 1 generaal, 1900 officieren en
32.000 manschappen
De divisie werd de bezettingsmacht en beveiligde de regio Ostfriesland: Jever,
Norden, Aurich, de eilanden Spiekerog en Wangerooge en Wilhelmshaven zelf
De Polen bleven maar enkele weken in de havenplaats. Op 20 mei namen de
Canadezen het over en werd het 2e Pantserregiment verplaatst naar
Löningen.

De bezetting van Duitsland 1945-1947
De divisie was betrokken bij de bezetting van Duitsland van Mei
1945 tot Mei 1947.De sector voor welke ze verantwoordelijk was strekte zich uit
van de Nederlands-Duitse grens, door het zuidelijk deel van Oldenburg, tot West
Hanover, dan bijkomend de stad Hanover en de regio Soltau, Münster en Walsrode.
Toegevoegd aan de divisie werd de Poolse Onafhankelijke Parachutisten brigade.
Tijdens deze periode was de divisie ingedeeld bij het Britse Leger aan de Rijn (BOAR),
binnen het raamwerk van het Britse XXXe Legerkorps. De divisionele
hoofdkwartieren waren gesitueerd in Meppen, Loningen, Lathen, Lingen.
Op 20 mei 1945 nam de divisie afscheid van gen. Maczek. De nieuwe
bevelhebber werd maj.gen (gen bryg) Rudnicki, die van het 2e
Poolse Legerkorps in Italië afkoms
tig
was.Gen. Maczek werd bevorderd tot lt. gen.(gen dyv) en ging terug naar
Schotland om daar commandant te worden over het 1e Poolse Legerkorps.
Onmiddellijk na het beëindigen der vijandelijkheden, nam de
divisie de verantwoordelijkheid over en organiseerde de zorg, niet enkel voor
alle Poolse krijgsgevangenen, maar ook voor de onder dwang verplaatste Polen, en
Polen die in werk-en concentratiekampen hadden gezeten. Het gebied waarover dit
liep was dat van het hele XXXe Legerkorps.Organisatorisch gaf dit een grote
extra belasting die werd uitgevoerd door twee extra afdelingen te vormen onder
het divisionele hoofdkwartier. Hun taak was te zorgen voor een goede
registratie, medicatie, voedsel, onderdak en onderwijs. De afdeling
verantwoordelijk voor het welzijn van de burger bevolking stond onder leiding
van col. Grudzinski; voor de afdeling voor ex-POW was col. Szydlowski
verantwoordelijk. Toen steeds meer Poolse vluchtelingen toestroomden, werd een
Speciale Staf gevormd o.l.v. col. Stankiewicz. In aanvang zorgde de divisie voor
42000 mensen; al snel groeide dit aan tot 60000. Ze werden gevestigd in 4
militaire centers, 20 burgerkampen en een gemengd kamp. De Duitse stad Haren
werd omgevormd tot het Poolse Maczków, met een volledige Poolse bevolking en
administratie.Vanaf april 1947 werden de eenheden in de divisie geleidelijk
overgeplaatst van het BOAR naar het Polish Resetlement Corps (P.K.P.R. Polskiego
Korpusu Przysposobiena i Rozmieszenia) in Groot Brittanië. Binnen dit Legerkorps
voor Hervestiging werd de divisie de 54e Brigadegroep in Southern
Command en was ingekwartierd in de regio Salisbury. co. werd col. Grudzinski.
De ontbinding vond plaats op 23 maart 1947
(administratief op 10.6.47) in Emsland, de uiteindelijke demobilisatie van de
divisie vond plaats in februari 1949.
Vanaf het moment van ontschepen in Frankrijk, tot de overgave van Duitsland in Wilhelmshaven was de divisie gedurende 283 dagen in actie en legde een afstand af van 1800km. Men was in augustus 1944 aangekomen met 885 officieren en 15210 manschappen. De gemiddelde verliezen bedroegen een derde aan gesneuvelden en gewonden (5098, waarvan 1294 gesneuveld); deze verliezen waren zeer veel hoger in de eerste lijn gevechts eenheden.(9e Jagers 111%, 174% der officieren; 2e Tankregiment 176% der officieren, 10e Dragonders 80%, Podhalanen 77%, 8e Jagers 96%, waarvan114% aan officieren, gelijk aan de 10PSK met 35% totaal. Tijdens de strijd zijn deze verliezen nooit helemaal meer aangevuld. De gesneuvelden liggen begraven op de door de divisie gevolgde route in de vele erebegraafplaatsen.
Gedurende de bezetting van Duitsland kwamen politieke beslissingen die terugkeer naar Polen voor velen onmogelijk maakte. Zij die wel teruggingen, werden soms wel en soms niet goed verwelkomd, allen hadden echter te maken met een repressie die sommige noodlottig zou worden, of vanwege de foltering in de gevangenis of de kampen, of vanwege de slechte leef -en werkomstandigheden waartoe ze werden gedwongen. Pas na vele jaren (1956) werd het meer leefbaar voor hen. De meeste zouden zich echter vestigen in “het vrije westen”, ze verspreidden zich over West Europa, Noord-en Zuid Amerika, Australië en Nieuw Zeeland. In het begin waren ze vaak verplicht om werk te aanvaarden, waarvoor ze niet echt geschikt waren. Een divisie van ruim 15000 beroepssoldaten, dienstplichtigen, emigranten, ex-dwangarbeiders ex-krijgsgevangenen enz. was in augustus 1944 van Normandië op weg gegaan naar Polen, hun vaderland, dat zij nimmer als eenheid zou bereiken. Ongeveer 15% van de oud-strijders van de Poolse eenheden uit WO-II zijn na 1948 terug gekeerd naar Polen, de rest bleef in West-Europa, vooral Engenland, Frankrijk en België, of emigreerde naar de VS of Canada. Ongeveer 250 zullen zich vestigen in Breda en omgeving.

De jaren onder de wapenen, zeker gedurende de oorlog, smeedt banden tussen oude kameraden voor de rest van hun leven. Tijdens samenkomsten worden herinneringen opgehaald aan hen die sneuvelden en zij die de oorlog overleefden. Dit geldt voor alle legers. Deze band is vaak emotioneel van aard, maar neemt vaak ook een organisatorische vorm. Dit gebeurde vanzelfsprekend ook met de soldaten van de divisie. Om onderling contact te houden vormden ze de International Association of the 1st Polish Armoured Division, waarvan tegenwoordig ook veteranen uit Polen lid zijn.
Het onthullen van het monument in Warschau was een der grote prestaties van de Associatie.
De traditie wordt verder nog doorgegeven, doordat diverse legeronderdelen in Polen deze hebben overgenomen, verder is de ontwikkeling op gang gezet dat de kinderen van de oud-strijders doorgaan met de band die ooit door hun vaders is begonnen.
Bronnen:
Dywizja Pancerna w
Walce, Brussel 1947, reprint Bielsko Biała 2002.
1 Dywizja Pancerna, Zarys Historii Wojennej, A. Grudzinski, redactie, London
1964.
The
Soldiers of general Maczek in World War II, Z. Mieczkowski editor, Warsaw-London
2004
Od Podwody do Czolga, St. Maczek, Edinburg 1961
1a Polska Dywyzja Pancerna, T. Wysocki, London, 1989
Pierwsza Pancerna, F. Skibinski, Warszawa, 1968
With the Tanks of the 1sth Polish Armoured Division, K. Jamar, Hengelo1946
Eerste Poolse
Pantserdivisie in Nederland, Tom Peeters,Breda 1978
L’épopée de la 1re Division Blindée Polonaise, S. Briere en M. Pépin,
Louvers Cedex, 2004
Fall Braun /
De strijd om Kapelsche Veer 1944-1945, Tilburg. 1991.
Mobilisatie Collaboratie Liberatie, H. Onderwater, Stadskanaal 1977
Overzicht van een Tankverkenningseskadron, H Venema, Stadskanaal 1985
De bevrijding van Nederland 1944-1945, Oorlog op de flank, redactie Klep en
Schoenmaker,SDU, ’s Gravenhage 1995
Van Dolle Dinsdag tot Bevrijding, Whiting enTrees, Haarlem, 1977
2.Pulk Pancerna w Walce, Hannover
Batalion Strzelcow Podhalanskich 1944-1945, Papenburg, 1947
Wojska Lacznosci I Polska 1 Dywizja Pancerna, A. Rogozinski, Milwaukee, 1985
10 Pulk Strzelcow Konnych w Kampanii 1944-45, Nürnberg1947
King Atlas Nederland, 1991
Toeristische
wegenatlas Nederland,ANWB,Den Haag, 1994
Duitsland in 6 deelkaarten, Kümmerly+Frey
ANWB /VVV wegenkaart, Midden en Noord Nederland.
Wielki Slownik Polsko-Angelski, J.Stanislawski, Warszawa, 1988
Verantwoording:
voor het hierboven staand verslag is als leidraad gebruikt, het boek: The
Soldiers of general Maczek in World War II, Z. Mieczkowski editor, Warsaw-London
2004
Met dank voor advies en vertaalwerk aan Jos van Alphen, Krystyna Stopa en Joop
Prins
Met dank aan
bibliotheek Generaal Maczek Museum, Breda.
Door problemen in de overzetting zijn de Poolse leestekens weggelaten.
Franjo Bogdanowicz, Breda, mei 2005
| Laatst bijgewerkt 11-01-2009 |
|